Gnantwerp Gazette 2
 

Nieuwsbrief
James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B2610  Wilrijk
België
Tel: 32-3-820 2782
Fax: 32-3-820 2762
E-mail: lernout@uia.ua.ac.be
Op het WWW hebben wij onze eigen pagina:
http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html.
 

Activiteiten

Zes maanden geleden beloofd en nu hebt u het tweede exemplaar in handen van de Gnantwerp Gazette. Het voorbije half jaar was het erg druk op het James Joyce Centrum. Inge Landuyt en Dirk Van Hulle werkten naarstig verder aan hun doctoraten, respectievelijk over de tweede fase van de genese van Finnegans Wake en een vergelijking van de werkwijze van Joyce in het schrijven van Finnegans Wake met die van Marcel Proust en Thomas Mann. Op het zestiende International James Joyce Symposium in Rome tijdens de tweede week van juni waren we meer dan een beetje vertegenwoordigd in enkele belangrijke genetische panels. Maar er werden ook Gnantwerpianen opgemerkt tijdens andere sessies en soms zelfs op een van de honderden Romeinse terrasjes. Half september zaten we in de Ecole Normale Supérieure in Parijs op het tweede internationale genese congres. Iets te algemeen en iets te weinig Joyce, maar Dirk Van Hulle had een mooie poster-presentatie ophangen over het beroemde "red-backed notebook" waarover u nog veel zal horen.

De drukte had ook veel te maken met de bekendmaking, tijdens de zomer, dat James Joyce met liefst drie boeken in de top 100 van de belangrijkste romans van de twintigste eeuw stond (en met twee boeken, Ulysses en A Portrait of the Artist as a Young Man, in de top 3). De telefoons, faxen en computers stonden enkele weken roodgloeiend: vragen om meer informatie en gelukwensen vooral, maar ook verwensingen en zelfs bedreigingen vanwege fans van minder belangrijke schrijvers.

Nog een andere reden waarom het hier de laatste tijd erg druk was: van begin juli tot eind september werkten in totaal meer dan tien werkstudenten in het Centrum, gelukkig met nooit meer dan drie tegelijkertijd. Het was de bedoeling om in drie maanden het grootste deel van de C-reeks van de Finnegans Wake werkboeken na te kijken en te vervolledigen, en daarin zijn ze zeker geslaagd. En dat ze ondertussen ook andere dingen hebben gedaan, blijkt uit het verslagje van Katrijn in dit nummer van de Gazette. Met onze andere projecten gaat het ook goed, dank u. We verzamelen nog altijd (met mondjesmaat) exemplaren van de boeken uit de werkbibliotheek van Joyce. We werken nog altijd mee aan de Textual Guide voor Finnegans Wake en de Hypermedia versie van Ulysses.

Plannen voor de toekomst zijn er genoeg. We organiseren begin december een werkconferentie voor alle Joyceaanse genetici (of genetische Joyceanen) waar we naar aloude Belgische gewoonte gaan proberen om vuur en water te verzoenen door olie op de golven te gooien. De bedoeling van het hele ding is een gigantisch genetisch Joyce-netwerk, met medewerkers in vier continenten, sinds kort ook in Japan en Australië! We hadden gehoopt dat de onderhandelingen over een nieuw mega-project al ver genoeg zouden staan om hier nu de officiële aankondiging te kunnen publiceren, maar dat is niet gelukt. De volgende keer dan maar. U hoort nog van ons. [GL]

Colloquia

* "Classic Joyce:16e internationaal Joyce Symposium te Rome" (13-20 juni 1998)

Laat ik beginnen met een verontschuldiging: Het is onmogelijk om een monstercongres als het tweejaarlijkse Joyce-symposium, waarop op hetzelfde moment telkens een vijftal sessies met gemiddeld vier sprekers plaatsvinden, in zijn totaliteit te volgen. Dit verslag zal dus noodzakelijkerwijs eerder een reflectie van de interesses van uw verslaggever zijn dan van het hele congres. Het programma bevatte bij voorbeeld meerdere sessies die het hadden over "Joycean hypertext", "Teaching Joyce", "Joyce's Use of Jewishness as a Metaphor", "Joyce's Fanonism: Questions of National Culture", "Joyce and Judith Butler" en "Polyglot Joyce", om nog maar te zwijgen van alle "Classic Joyce"-interpretaties, maar die heb ik grotendeels gemist. Nogmaals dus mijn excuses.

De grote publiekstrekkers in Rome waren natuurlijk de plenaire lezingen van de grote namen, jammer genoeg niet altijd even interessant. Hugh Kenner onderhield ons op de eerste avond over "Some Mutations of Homer" in Ulysses, waarbij hij voornamelijk de nadruk legde op ritme-en klankverwantschappen. Het merendeel van zijn lezing ging helaas aan zijn publiek voorbij door zijn absoluut onverstaanbare uitspraak. Luciano Berio en Umberto Eco zouden samen een avondprogramma verzorgen, maar beperkten zich hoofdzakelijk tot het afdraaien van een interpretatie van fragmenten uit Joyce' werk met commentaar die zij zo'n 30tal jaren geleden gemaakt hadden. Het commentaar was in het Italiaans en werd niet vertaald. Ik beken dat ik toen beslist heb dat het waarschijnlijk ook de moeite niet zou lonen om naar Eco's sessie van de volgende avond "Hoppy on Akkant of His Joycity" (met de medewerking van Rosa Maria Bosinelli, Michael O'Shea en Jacqueline Risset) te gaan.

Waarom ik het congres dan toch de moeite vond? Eerst en vooral om de papers die vertrokken vanuit een genetische benadering van Joyce' teksten. Ook in Antwerpen bestuderen wij vooral Finnegans Wake vanuit alle eerdere versies van de tekst en de notitieboekjes waarop die gebaseerd is. Het was dan ook ontzettend interessant voor ons om Luca Crispi te horen vertellen dat hij in de archieven van de universiteit van Buffalo enkele verbeterde drukproeven gevonden had waarvan men had aangenomen dat ze verloren waren gegaan, of Aida Yared te zien bewijzen dat Joyce notities nam uit Burtons uitgave van de verhalen van 1001 nacht. Liefhebbers van biografische informatie en archieven waren op hun plaats bij "Demythologizing and Mythologizing in the Archives", waar het financieel inzicht van Sylvia Beach grondig werd doorgelicht en William Brockman (net zoals twee jaar geleden in Zürich) iedereen deed watertanden naar een geheimzinnige koffer met brieven en andere documenten van de Joyces, die Ellmann nog had kunnen raadplegen, maar die al vele jaren opnieuw in handen van de familie Joyce is.

Ik had gehoopt om nieuwe inzichten over Vico's invloed op Finnegans Wake te horen bij "Joyce and Vico", maar Gian Balsamo en Donald Kunze hadden het voornamelijk over eerdere werken zoals A Portrait. Donald Kunze rekte trouwens een hoogst oninteressante paper zo lang dat hij nauwelijks tijd overliet voor de chair William Wilson, die ons in zijn vijf minuten liet beseffen dat we daardoor waarschijnlijk de meest boeiende uiteenzetting gemist hadden. Dat gemis werd voor mij echter ruimschoots gecompenseerd toen Balsamo zich bereid verklaarde om notities in verband met Vico die ik in één van Joyce's notitieboekjes gevonden had te zullen bekijken. De verplichte locale noot, maar dan op een interessante manier gebracht, vond ik bij Joe Schork die voor ons alle mogelijke verwijzingen naar "Pope Peter in Rome" in Finnegans Wake op een rijtje zette, met uitvoerige annotatie.

Muziekliefhebbers konden hun hart ophalen bij Geert Lernout, die de geschiedenis van alle Wagnerverwijzingen in Finnegans Wake uiteenzette. Katerina Hagena gaf in hetzelfde "Lyric, Epic, Dramatic, Operatic" panel een degelijke behandeling van McPhersons Ossian. Finn Fordham toonde in een ander panel waar Chopin en zijn tijdgenoten in de Wake te vinden waren. Het bovengenoemde academische gedeelte vond voornamelijk plaats in een gebouw van de universiteit, met een stemmig binnenpleintje en een overdekt dakterras voor de koffiepauzes, en met enkele van de voornaamste monumenten binnen hand- (of voet-)bereik. Voor de plenaire lezingen waren imposante Romeinse gebouwen als de Campidoglio uitgezocht. Laat ik tenslotte nog even vermelden dat vooral de receptie van Martini en Rossi zeker de moeite waard was. [IL]
 

* "Genèses: deuxième congrès international de critique génétique" (9-12 september 1998)

Het onderzoek naar de genese van literaire werken is vooral in Frankrijk een druk beoefende discipline. Onlangs organiseerde het ‘Institut des Textes et Manuscrits Modernes' (ITEM) in Parijs een tweede internationaal congres. Het werd geopend met een lezing door Louis Hay, de nestor van de ‘critique génétique'. Het belang van deze jonge onderzoeksvorm wordt blijkbaar niet alleen door critici maar ook door schrijvers zelf onderkend. Heel wat Franse en Duitse schrijvers schenken sinds kort hun manuscripten al tijdens hun leven aan een gespecialiseerd archief en geven met een dergelijke 'pre mortem' erfenis of ‘Vorlass' de impliciete wens te kennen dat hun werk als meer dan een afgewerkt product bestudeerd zal worden. De spanning tussen het literaire werk ‘in actu' en ‘in potentia', daar is het de literaire genetici om te doen, aldus Hay. Dat benadrukte ook Daniel Ferrer, Joyce specialist van ITEM, die de ‘avant-texte' omschreef als de onafscheidelijke schaduw van de tekst, waarbij vanzelfsprekend een duidelijk onderscheid te maken is tussen wat een schrijver zegt dat hij doet en wat je hem effectief ‘ziet' doen bij nader onderzoek van de manuscripten. De term ‘avant-texte' suggereert dat het de uiteindelijke tekst is die vorm geeft aan zijn genese, en niet omgekeerd: het schrijfproces wordt achteraf onvermijdelijk geordend, terwijl het oorspronkelijk voor de schrijver vaak helemaal niet duidelijk was waar hij naartoe schreef. ‘Un flou' heet dat in het Frans, en gedurende het hele congres lag daar dan ook de nadruk op. Aangezien het uitgeven van teksten de ‘flux' en de ‘flou' min of meer vastlegt, zijn de Franse onderzoekers in het algemeen veel minder geïnteresseerd in teksteditie dan Duitse, Italiaanse of Amerikaanse onderzoekers die zich verdiepen in literaire manuscripten. Van deze andere scholen was de Amerikaanse nauwelijks vertegenwoordigd; enkel David Hayman nam deel aan een ‘ronde tafel' met onder meer Pierre-Marc de Biasi (de organisator van het congres) en Cesare Segre als vertegenwoordiger van het Italiaanse variantenonderzoek.

Ook het Antwerpse Joyce Centrum was vertegenwoordigd, zij het niet mondeling maar met een poster, met de titel
        Presenting the Work's Progress
over een project van het Joyce Centrum om een genetische editie van de "red-backed notebook" te maken. In tegenstelling tot de meeste van Joyce' notitieboeken is dit "notebook" eerder een ‘cahier' dan een ‘carnet' omdat het geen losse paradigmatische aantekeningen bevat, maar syntagmatische teksteenheden. Die zijn het resultaat van een van de meest intensieve creatieve perioden in het schrijfproces van Joyce' laatste werk. In vijf maanden tijd (tussen november 1923 en maart 1924) heeft Joyce in dit schrift de eerste versies geschreven van hoofdstukken I.2, I.3, I.4, I.5, I.7 en I.8 van Finnegans Wake; bovendien drie versies van 'the Revered Letter' en een vroege versie van de bezorging van die brief, die uiteindelijk Boek III is geworden.

Hoewel Joyce aanvankelijk enkel op de rechterpagina's schreef, creëerde hij hierdoor een soort vacuüm op de linkerpagina's dat hij al gauw opvulde met eerste versies van nieuwe secties. Hierdoor wordt het schrijfproces gekenmerkt door een voortdurend verspringen van linker- naar rechterpagina. Joyce schrok er immers niet voor terug om van achter naar voren te schrijven als dat nodig was, zodat de verschillende secties al na een paar bladzijden in elkaar verstrengeld raakten. Zo zijn bijvoorbeeld de teksteenheden op pagina 30 uiteindelijk terechtgekomen in vier verschillende secties van Finnegans Wake.

De verschillende secties zijn relatief makkelijk te ontrafelen; moeilijker is het om de chronologische volgorde van hun compositie te reconstrueren. Afhankelijk van de aanpak die men verkiest kan het materiaal dus op verschillende manieren getranscribeerd en geordend worden: 1. teleologisch (in de volgorde van de uiteindelijke tekst); 2. documentair (een lineaire of diplomatische transcriptie in de volgorde van de pagina's van het notitieboek); of 3. chronologisch (in de volgorde van de compositie). Terwijl een editie op papier een keuze noodzakelijk maakt, is het in een elektronische editie mogelijk (als de transcriptie van de teksten in SGML gecodeerd wordt) om het materiaal volgens de drie benaderingswijzen aan te bieden en de lezer de mogelijkheid te bieden de keuze van zijn aanpak zelf te bepalen. [DVH]

Tips voor Joyce-trips

* Genetic Networks:   Hét Joyce-evenement van het jaar wordt uiteraard het congres "Genetic Networks"dat wij in december organiseren. Op 10 december kan je op de UFSIA (Grote Kauwenberg 18, Antwerpen, lokaal D.015) en op 11 december in het MUHKA niet alles, maar toch heel veel te weten komen over lopende onderzoeken van de manuscripten en notitieboekjes van Joyce en de gevolgen voor de interpretatie van zijn teksten. Het programma stelt het volgende voor:
In recente discussies over het werk van James Joyce nemen genetische en tekstuele benaderingen een centrale positie in. De genetische literatuurstudie wordt zelfs al het nieuwe paradigma in de Joycekritiek genoemd. Toch zijn de vele locale initiatieven er niet in geslaagd een klimaat van samenwerking te creëren dat het label "paradigma" rechtvaardigt. Daar zijn allerlei redenen voor: ten eerste is er in de literatuurwetenschap geen traditie van samenwerking; ten tweede hebben de copyrightsituatie en de controversen rond Gablers Ulysses en Danis Roses Finn's Hotel roet in het eten gegooid, en tenslotte hebben de verschillende "scholen" van genetische literatuurstudie het veel te druk met elkaar in de haren te zitten om zelfs nog maar de mogelijkheid van samenwerking te overwegen.
Al in 1989 begon het Antwerpse Joyce Centrum te bemiddelen tussen de verschillende scholen door contacten en uitwisselingen te stimuleren. Sinds het laatste genetische congres in Antwerpen (Genitricksling in 1997), zijn er verscheidene ambitieuze samenwerkingsprojecten opgezet. Sam Slote en Luca Crispi zijn begonnen aan een genetische inleiding van Finnegans Wake, die bijdragen zal bevatten van zeventien verschillende wetenschappers en die de genetische literatuurstudie bij een breder publiek bekend zal maken. Het Antwerpse Joyce Centrum plant een genetisch jaarboek waarin alle benaderingen aan bod zullen komen. Mikio Fuse is begonnen met een gemeenschappelijke web-publicatie van de notebooks; Bill Cadbury is bezig met de eerdere versies van Finnegans Wake; Mike Grodens hypermedia editie van Ulysses zal een belangrijke genetische component bevatten, en nog prestigieuzere projecten zijn in de laatste fase van voorbereiding.
Deze plotse uitbarsting van energie op de verschillende fronten maakt één of andere vorm van coördinatie noodzakelijk. Niet alleen moet iedereen die in het veld werkzaam is op de hoogte gehouden worden van de evolutie van al deze verschillende initiatieven, maar er is ook samenwerking nodig. Idealiter zouden we een gigantisch genetisch netwerk moeten kunnen opzetten.
Hebben al toegezegd: Daniel Ferrer (ITEM, Parijs), Luca Crispi en Robert Bertholf (University of Buffalo), Mikio Fuse (Tokyo), Sam Slote (University of Boston), Erika Rosiers en Wim Van Mierlo (ex-UIA, nu Miami), Fritz Senn (Joyce Foundation Zürich), Bill Cadbury en Nathan Tenny (Oregon), Vincent Deane (Dublin) en Joseph Schork (Boston).
Wie graag een uitnodiging met programma krijgt hoeft ons gewoon even op te bellen: (03) 820.27.82 of 820.27.83, of te e-mailen: lernout@uia.ua.ac.be.

* Miami J'yce   De University of Miami gebruikt vooral haar heerlijke temperaturen en zonnige stranden als argument om de rest van de wereld naar hun Miami J'yce congres te lokken, en meestal lukt hen dat nog aardig ook. Dit jaar zal het op 4, 5 en 6 februari 1999 allemaal gaan over "Joyce and the City: Dublin, Trieste, Zürich, Paris, and beyond". Wie graag meer wil weten kan het volgende adres contacteren: University of Miami. Miami J'yce Birthday Conference. P.O. Box 248145. Coral Gables, Florida 33124-4632. USA. Tel: 305-284-3140. E-mail: jjls@umiami.ir.miami.edu. Web-page:
www.miami.edu/eng/jjls/jjls.htm

* Inaugurale Conferentie van EFACIS, de Europese koepelorganisatie van alle centra voor Ierse Studies (full title: European Federation of Associations and Centres of Irish Studies). Deze bijeenkomst van 'old hands and keen young minds' zal in Lille plaatshebben op vrijdag 11 en zaterdag 12 december 1998. De titel van het colloquium is "Aspects of Ireland: Yesterday and Today." We hebben de titel breed gehouden om zoveel mogelijk representanten van Europese onderzoeksinstituten (of individu's) aan te trekken. Het grote verschil tussen IASIL en EFACIS is dat de laatste zich niet enkel bezighoudt met literatuur maar ook met politieke en sociale, historische en geografische elementen van de Ierse samenleving. Meer informatie over EFACIS vind je op de website, www.heanet.ie/EFACIS.
Concrete info over het congres te krijgen bij hedwig.schwall@kulak.ac.be

Op het programma staan plenaire toespraken door John Wilson Foster (Vancouver/British Columbia) over "Belfast in Titanic Times"; de filmmaker Johnny Gogan komt zijn film tonen en bespreken in een lezing over "The Last Bus Home in the context of contemporary Irish society"; Dermot Keogh (University College Cork) zal een frappante periode uit de Ierse kerkgeschiedenis voorstellen en Shaun Richards (Staffordshire, England) bespreekt Declan Kiberd's spraakmakende boek "Inventing Ireland".

Daarnaast zijn er vier grote thema's die in panels besproken worden: een over vrouwelijk schrijven in Ierland, een tweede over hoe de voorstelling van vrouwen veranderde tussen de 19e en de 20ste eeuw; een derde panel bespreekt Contemporary Northern Irish Poetry, terwijl een vierde zich over Contemporary Drama (Friel, McGuinness, Kennelly…) buigt. Het is dus wel degelijk de bedoeling dat alle onderzoekers deelnemen aan de discussie. EFACIS wil studenten mee betrekken in de onderwerpen waar verschillende onderzoekers elk op hun manier mee bezig zijn. Sommigen zijn sterk theoretisch georiënteerd (Cixous, Derrida, Nietzsche, Judith Butler, Gayatri Spivak en andere postcolonialists…) anderen leunen meer aan bij vertaalproblematiek, close reading en sociologische benaderingen. Kortom: er is voor elk wat wils - needless to say Joyce will be discussed, onder meer door Anne Fogarty, Director of the International James Joyce Summer School van Dublin. Daarnaast ontmoet je de andere scholars die op jouw vakgebied werken. And that's the very purpose of it all. So EFACIS wants YOU.

Curiosa

Ulysses wordt over de hele wereld bestudeerd. Dat het boek ook als profetisch werk gebruikt wordt is misschien iets nieuws. Het verhaal dat hier volgt is gewoon een curiosum in de studie van de werken van James Joyce, maar het heeft wel iets...

19 april 1993, Waco (U.S.). Na een belegering van 51 dagen staat het landhuis van David Koresh en zijn volgelingen in lichterlaaie. Koresh en meer dan tachtig leden van de "Branch David" sekte sterven in de vlammenzee.

Volgens de Los Angeles Times was de belegering een totale mislukking omdat Koresh vooraf op de hoogte geweest zou zijn van de actie. De directeur van het "Bureau of Alcohol, Tobacco and Firearms", Stephen Higgins, die verantwoordelijk was voor de inval bij de sekte, beweerde dat Koresh nooit iets vermoed had. Undercover agent Roberto Rodriguez, die voor de FTA in de sekte van Branch David geïnfiltreerd was, beweert het tegendeel. Hij zegt dat Koresh al dagen voor de inval zei: "The time has come". Dit verklaart misschien het volgende.

6 maart 1995, Brussel (België). Op het kantoor van de organisatie van het "Einstein meets Magritte"-symposium van de VUB komt de volgende brief binnen:

Dave Koresh
Witness Protection Plan
Washington, DC
 
17 December 1994
 
Dear Friend,
 
     I am shortly going to have to make the most important decision of my life, and I want to do two things:  (1) Make sure I have explained my own feelings; and (2) Ask for your advice.
 
     My handlers have strongly urged that, on Christmas Day of this year, I should present myself to the Security Council of the United Nations and request an international tribunal to determine if there is cause to issue United Nations Arrest Warrants for Janet Reno and Stephen Higgins for the crime of genocide!
 
     But I have always thought of myself as a patriotic American: loyal, maybe too inclined to say "My Country, Right or Wrong!" and to avoid airing America's dirty linen on the World Stage.

     Part of me feels that this would be a wrong thing to do--almost like Jane Fonda posing with a Viet Cong anti-aircraft gun, or President Clinton bad-mouthing the military after himself dodging the Draft.  "Put it all behind you, Dave," I try to tell myself, "and just do your job, write your software, and wait for The Millenium when you no longer need to hide and carry fake ID and fear the Beast who wants you dead.
 
     But then a voice inside me warns, "But what of the NEXT 'politically incorrect' way of worshipping God?"   The United States of America once had an explicit death penalty on the statute books for practitioners of The Craft, who were called "witches" and, quite legally, murdered by their government because of their beliefs.  The Catholic Church threatened to murder Galileo, and ACTUALLY murdered Giordano Bruno, for "thought-crime." Joan of Arc: burned.  Socrates: poisoned.  Jesus: crucified.  ALWAYS on government orders, and FREQUENTLY with phony charges of "corrupting the youth. "LET THIS PERSECUTION END HERE!  LET IT END WITH ME!  LET US BRING HOME THE LESSONS OF NUREMBURG!  READ THE FIRST TWO AMENDMENTS, AMERICANS!
 
     As you can see, my time for decision is short.  Please pray for me, as I will pray as well.  It may be dangerous to attempt to contact me directly.  Truly.  Trust me.

   The enclosed diskette contains INFORMATION YOU WILL NOT HEAR from the so-called "mainstream" media.  Please distribute it as widely as possible, and God Bless You.
                                        Your Brother in Christ,
                                        Dave Koresh

Er zijn ook twee bijlagen bij dit schrijven. De eerste is het krantenartikel "U.S. officials lied about Cult Raid, Agent says", uit de Los Angeles Times (zonder datum). In dit artikel zijn drie elementen omcirkeld: "Stephen Higgins", "burned Koresh" en "died in the blaze". De keerzijde bevat de tweede bijlage: een kopie van twee bladzijden uit Ulysses (Vintage Press Edition, 1990, pp.484-485). Ook hier zijn verschillende elementen omcirkeld: "Lo!", "Stephens" verbonden met "Higgins" op de tegenoverliggende bladzijde. Deze Higgins wordt ook omschreven als "notorious fireraiser", waarop Bloom antwoordt:"Shoot him! Dog of a christian!". Ook "my beloved subjects, a new era is about to dawn" en "ye shall ere long enter in the golden city" zijn omcirkeld.

Uitleg over deze aanduidingen wordt niet gegeven, ook niet op de bijgevoegde diskette. Er wordt blijkbaar van de "Dear Fellow Hackers of Quantum Reality" verwacht dat ze zelf een link leggen tussen Joyce en het bijgevoegde krantenberichtje. Beats me... Maar: aldus wordt James Joyce wel verheven tot de Nostradamus van Branch David. [EM]

Vakantiejob

De zomer van Joyce

Ergens tussen de drukke grootstad en het slapende platteland, tussen Antwerpen en Wilrijk, ligt de Universitaire Instelling Antwerpen. En ergens tussen de zomer en de winter wordt het lente: niet zo dit jaar. Het is amper eind mei en het zomert als was het midden augustus. De zon heeft een loopje met de seizoenen genomen, en de UIA heeft meer weg van een openbaar park dan van een universitaire instelling. Studenten liggen te zonnen in het gras, anderen zoeken hun toevlucht op een bank in de schaduw en zelfs de anders onvermoeibaar kwetterende vogels wapperen zich nu met hun vleugels koelte toe. Er hangt een Club Medsfeer op de campus. Iedereen droomt al van vakantie en vergeet even dat daartussen nog examens en studentenjobs liggen. Behalve Sofie dan, die nooit iets vergeet. Of ik al langs geweest ben in het Joycecentrum, voor die studentenjob, wil ze weten. Ik heb geen zin om te antwoorden en mompel iets onbestemds. Maar dan voel ik iets kriebelen in mijn nek. En tussen mijn tenen eigenlijk ook. Ik doe mijn ogen open en zie Sofie net een derde lading gras op mijn buik deponeren. Ik veeg het gras van me af en sta recht. Het is in gebouw A, zegt ze met pretlichtjes in haar ogen.

Gebouw A. Eerst trappen. Dan een lange gang. In kantoor A1.12 staat de deur op een kier: Geert Lernout, de geestelijke vader van het Joycecentrum zit druk te telefoneren, op een naburig bureau zit een jonge vrouw ernstig te lezen en notities te nemen, in de aanpalende kamer hoor ik iemand tikken met de snelheid van een mitrailleur. En dat in deze hitte. Dat belooft. Even overweeg ik om voor een minder werklustige werkomgeving te opteren, maar Geert heeft me ondertussen al opgemerkt en gebaart me binnen te komen. Hij sluit z'n telefoontje af, en wanneer hij hoort dat ik voor de vakantiejob kom, duwt hij me met een brede grijns een blad in de handen: informatievergadering 24 juni lees ik, en ik schrijf mijn adres naast dat van enkele andere werkwilligen. Ik leg het blad terug neer en vraag me af of ik nu dag, tot ziens of iets dergelijks moet zeggen maar niemand lijkt zich nog van mijn aanwezigheid bewust te zijn: Geert zit geconcentreerd voor z'n computer, de jonge vrouw leest ongestoord door, en  ik besluit in alle stilte te verdwijnen. Alleen het staccato getik doet me uitgeleide.

Vier weken later. Al mijn papers zijn geschreven, al mijn examens afgelegd, voorbij is de proclamatie: nu kan het echte werk beginnen. Op de infovergadering blijkt dat het vijftal kandidaten van eind mei is aangegroeid tot een leger van vijftien recruten. We besluiten het werk te verdelen en tot de vaste kern voor juli behoren Sofie, Luc en ik. Wanneer ik de volgende morgen op het Joycecentrum aankom, blijkt dat ook aan Sofie en Luc de werklust van Geert niet onopgemerkt is voorbijgegaan: er is nog één computer vrij, vlak naast Geert z'n bureau, of wat dacht u. Sofie zit naast mij, maar te ver van Geert om haar nog op de vingers te kunnen kijken. De beste plaats heeft Luc: hij zit niet in het kantoor van Geert, maar in dat van Dirk. Luc lacht. Sofie en ik houden het bij een strijdlustige grijns.

Maar algauw vergaat ons alle lachen wanneer blijkt dat ons werk uit het oplossen van het mysterie van de Finnegans Wake Notebooks bestaat. Joyce was namelijk ooit op het idee gekomen om telkens als hij een interessant woord, een mooi beeld of een knappe zin vond die in een notaboekje te noteren. Alleen vond Joyce heel veel woorden en nog veel meer zinnen interessant: hij heeft een vijftigtal notaboekjes volgeschreven. En het is onze taak te controleren wat hiervan nu in Finnegans Wake terecht is gekomen. En in welk stadium van het manuscript Joyce het woord uit de notaboekjes voor het eerst heeft toegevoegd. Tot onze ontzetting blijkt Joyce 17 jaar aan Finnegans Wake gewerkt te hebben: de verzamelde manuscripten bestaan uit 36 boekdelen.

Werk genoeg dus. Maar van de gewijde werksfeer die eind mei in deze kantoren hing, is niet veel meer te merken. Kris Humbeeck, leider van het Booncentrum komt iets vragen over de volgende departementsvergadering. Enkele studenten willen wat uitleg over hun thesiswerkstuk. En de telefoon rinkelt voortdurend. De decaan van Filosofie. Iemand van het departement Romaanse. De redactiechef van De Morgen, of Geert die recensie zo vlug mogelijk kan schrijven, liefst deze week nog. Zijn vrouw. Of hij van de groentenwinkel courgetten wil meebrengen. Vandaag nog.

Ook Sofie en ik worden niet met rust gelaten. Wanneer we even een kop koffie gaan halen in het secretariaat, krijgen we het gezelschap van Koen, assistent in het Booncentrum. Hij wil weten wat we van ons werk bij Geert vinden. Prutswerk toch, zegt hij, die notaboekjes. Wij, wij in het Booncentrum, wij zijn met een biografie van Boon bezig, dat is toch veel interessanter zeker. En veel belangrijker, want er is nog geen één serieuze biografie van Louis Paul Boon verschenen. Geen één. En dat is toch eigenlijk wel een schande, hè, een beetje erg, hè. En hoe dat komt, dat zal hij ons wel eens vertellen zeker. Omdat er te weinig mensen werken in het Booncentrum, dat ze daar eigenlijk ook wel jobstudenten nodig hebben, en of wij ons misschien niet een beetje geroepen voelen om daar verandering in te brengen, nee?

Nee. Nee, ik en Sofie bedanken hem feestelijk voor zijn voorstel. Koen probeert een andere aanpak. Probeert ons medelijden op te wekken door minstens vier keer per week bij ons te komen klagen dat hij het toch zo druk heeft. Zo veel werk. Hoofdpijn krijgt hij ervan. En hij ziet toch zo bleek de laatste tijd. En die stress. Zijn spijsvertering. Tevergeefs. Het geval Koen is voor ons volkomen duidelijk. Maar Geert stelt ons soms toch nog voor raadsels. Zo horen we hem op een dag praten met iemand van  Radio 1, en een week later laat hij ons op een ochtend achter met de mededeling dat hij naar Brussel moet. Een blik op de paperassen op zijn bureau leert dat hij in een interview in De Zuidkant zijn boekenkeuze zal toelichten. Dirk, zijn rechterhand weet van niets. Wanneer we om de proef op de som te nemen naar de radio luisteren, horen we inderdaad Geert. Waarom heeft hij ons niets verteld? Gewoon vergeten? Bescheidenheid? Of zenuwen? Of misschien wel van alledrie een beetje.

Als het mysterie van de Finnegans Wake Notebooks ook maar zo vlug opgelost was. Een maand hebben we ondertussen gewerkt en van de achttien notaboeken die deze zomer onderzocht moeten worden, hebben we er zes afgewerkt. Maar er zijn nog twee maanden. En nog negen jobstudenten. We laten Humphrey Chimpden Earwicker, alias Here Comes Everybody, het hoofdpersonage van de Wake, aan hun goede zorgen over. En nemen meteen ook afscheid van Geert Lernout, de Grote Leider met de Gulle Lach, wuiven naar Dirk Van Hulle, Dat Vriendelijk Heerschap, alias Die Van  Hiernaast, en IL die eigenlijk een ELLE is: Inge Landuyt. Maken een reverence voor u en groeten u plechtig: het Stroblonde Meisje, Sofie Melis, de Lange Aardige Jongen, Luc Acke, Jan voor de vrienden, en Krullebolleke Schrijfmachienrolleke, schrijfster dezes. [KS]

P.S. En u weet het, als u ooit het Joycecentrum wil bezoeken, kijk dan uit voor een jonge man met bril, guitig lachje, en een bleek gezicht, Koen geheten, of voor u het weet zit u in het Booncentrum.

Annotatie

Het Joyce Centrum werd vorig jaar gevraagd om voor ABES, een Annotated Bibliography for English Studies op CD-ROM, de secundaire literatuur over Ulysses en Finnegans Wake te bespreken. Dit jaar hebben we hieraan verdergewerkt. Inmiddels heeft het Joyce Centrum al meer dan veertig boeken voor ABES geannoteerd.
 

Homepage Antwerp James Joyce Center

http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html

Naast een overzicht van de publicaties en het werk van de onderzoekers van het Joyce centrum zijn ook een aantal artikels on-line te raadplegen. De web-site van het Joyce centrum is gelinkt met andere sites zoals The Interactive 'Finnegans Wake' Notebook Page van Christopher Bjork, EuroJoys van Hans Walter Gabler en Barney Engelhart, en de site van The International James Joyce Foundation, die op zijn beurt verbonden is met allerlei e-mail-lists en elektronische discussiegroepen. Er is ook een lijst met belangrijke adressen op te vinden en een inschrijvingsformulier voor wie lid wil worden van de Foundation. Via de "Work in Progress"-site van Rob Callahan is het elektronische tijdschrift Hypermedia Joyce Studies te bereiken, waarvan de redactie bestaat uit Lawrence James, Alan Roughley, Rob Callahan en Julian Croft. De link met het Institut des Textes et Manuscrits Modernes (ITEM) geeft niet alleen een idee van het onderzoek van de "Equipe Joyce" in Parijs, maar ook van alle andere activiteiten van dit Franse instituut voor genetisch literatuuronderzoek.
Verder staan op de homepage binnenkort ook deze en de vorige Gnantwerp Gazette en enkele nieuwe, nog niet gepubliceerde artikels, onder meer over de manier waarop Joyce de aanvallen van 'The Ennemy', Wyndham Lewis, pareerde en diens kritiek op encyclopedische wijze neutraliseerde volgens The Art of Not Being Rude.

Tante Kate

Waarom vinden we The Cat and the Devil niet terug in de index van Richard Ellmanns biografie James Joyce?
Royalties heeft Joyce nooit gekregen voor zijn enige "kinderboek", waarin de legende van de brug over de Loire bij Beaugency wordt verteld. Opa Joyce schreef het verhaaltje neer in een brief aan zijn kleinzoon Stephen, en het werd pas na zijn dood voor het eerst als een apart boekje gepubliceerd. Je kan het ook vinden in Stuart Gilberts editie van Joyce' Letters I (387-8).

Hoeveel is het werk van Joyce tegenwoordig waard?
Wie in Joyce wil investeren heeft best al een aardig centje opzij gezet. Als je je bijvoorbeeld graag één van de vijfentwintig geletterde en gesigneerde exemplaren van de eerste editie van Finnegans Wake (1939) wil aanschaffen heb je zo'n 15.000 dollar nodig. Een "gewoon" exemplaar van diezelfde uitgave heb je al voor 2000 à 2500 dollar. Voor een brief van Joyce aan de vrouw van James Stephens van één pagina werd onlangs 9500 dollar gevraagd. De eerste Amerikaanse editie van Dubliners (Huebsch 1916) kost tegenwoordig zo'n 22.500 dollar. Maar Ulysses haalt natuurlijk met gemak de hoogste prijzen. Zelfs de illegale editie van Samuel Roth, waarvan ooit een onbekend maar zeker groot aantal exemplaren gedrukt werd, kost 650 dollar. De eerste druk van de Franse vertaling (1929) is 8000 dollar waard, en voor de topper, één van de 150 genummerde exemplaren van de eerste druk van Ulysses op Verges D'Arches papier tel je 37.500 dollar neer.

Wie was gipsy Lee, die als één van Anna Livia's 111 kinderen een cadeautje krijgt in hoofdstuk I.8 van Finnegans Wake (210.7)?
Volgens Claude Jacquet in "Aspects de la genèse de Finnegans Wake: Anna Livia Plurabelle ou les métamorphoses du texte" (119) is hij afkomstig uit het melodrama Maria Martin ou le crime de la Grange Rouge". Enkele woorden ("Gipsy Lee / -- Boswell")  uit één van de notitieboekjes (VI.B.6) bewijzen echter dat Joyce deze figurant in de Irish Times van 4 januari 1924 vond:

Crystal gazer's dupe - woman sent to jail
At Cambridge Borough Quarter Sessions yesterday, Daisy Entwistle, alias Gipsy Boswell, alias Lee, aged 34, was charged, before the Recorder, with stealing 60£ from Howard Parker, at Cambridge, between July and September last.

Dat Joyce dit personage "a tinker's ban and a barrow to boil his billy" toebedacht geeft echter aan dat hij zich niet meer van deze oorspronkelijke context bewust was toen hij hem/haar toevoegde aan hoofdstuk I.8. [IL]

Op welke vragen willen onze lezers nog veel liever een antwoord?
Dat kan alleen ú voor ons oplossen. Wij ontvangen graag een reactie op ons adres:
James Joyce Centrum - UIA-GER - Universiteitsplein 1 - B-2610 Wilrijk
 
TOP 100
 

De beste roman van de eeuw
 

Deze zomer bracht The Modern Library een lijst uit van "de honderd beste romans gepubliceerd in het Engels sinds 1900". Slechts twee van de drie beste zijn van Joyce (Ulysses op nr. 1 en A Portrait of the Artist as a Young Man op nr. 3) en Finnegans Wake volgt pas op nr. 77. Een schande natuurlijk. Maar laat uw ware verontwaardiging vooral niet blijken onder literaire vrienden. Uw bedenkingen zouden als bezwarend materiaal tegen u gebruikt kunnen worden. Uit de reacties in gerenommeerde literaire bladen is immers gebleken dat weliswaar geen enkele zichzelf respecterende boekenwurm de lijst goedkeurt, maar dat moet natuurlijk om de politiek correcte redenen gebeuren. Daarom deze tip tien (in volgorde van gerangschiktheid):

1. Surf eerst even langs bij http://www.randomhouse.com/modernlibrary/100best, maar laat natuurlijk nooit blijken dat zo'n lijst u interesseert. Niemand hoeft u te vertellen welke boeken de moeite waard zijn en welke niet.

2. Als uw gesprekspartner op de hoogte blijkt te zijn van de lijst, begint u schouderophalend over al die schrijvers die er niet op staan. U schudt vervolgens losweg en in alfabetische volgorde de namen Barnes (Djuna), Barnes (Julian), Barth (John), Barthelme (Donald), Beckett (Samuel), enzovoort, uit de mouw.

3. Benadruk het relatieve karakter van de waarde van een kunstwerk. Die is afhankelijk van zoveel toevallige factoren, de aandacht die het krijgt in de media, het klimaat waarin het verschijnt, de toevallige noden en voorkeuren van het lezerspubliek.

4. Verlustig u in de al te menselijke drang om op het einde van een artificiële tijdseenheid  een balans op te maken van de prestaties van soortgenoten in de voorbije honderd jaar, want - ach - hoe bewogen die in onze ogen ook geweest mag zijn, wat betekenen de luttele literaire verwezenlijkingen van deze eeuw in het licht der eeuwigheid.

5. Wees vooral verontwaardigd over de samenstelling van het leescomité (Daniel Boorstin, A.S. Byatt, Christopher Cerf, Shelby Foote, Vartan Gregorian, Edmund Morris, John Richardson, Arthur M. Schlesinger Jr., William Styron en Gore Vidal): blanke mannen (op A.S. Byatt na) van gemiddeld 68,7 jaar oud. Geen wonder dus dat er van de 100 romans 91 door mannen geschreven zijn en slechts vier na 1975 zijn verschenen.

6. Verwijs naar "The Talk of the Town" in The New Yorker van 17 augustus, waarin een van de leden van het comité, William Styron, afstand neemt van de lijst en nederig schuld bekent: "I was a member of the entirely white, predominantly male, and somewhat doddering Modern Library editorial board that compiled a list of the hundred best novels written in English in the twentieth century. (...) I want to cheerfully assent to the opinion expressed in these pages that the list is ‘weird'." Styron verwijst de lezer naar de tegencanon die als reactie door studenten van het Radcliffe College is opgesteld en gepubliceerd in de Boston Globe en USA Today.

7. Merk in dit verband op dat deze lijst van Radcliffe al even ‘weird' is. Dat bijvoorbeeld Thomas Pynchon er evenmin in voorkomt (hoewel toegegeven moet worden dat er meer vrouwen en niet-blanke schrijvers in vertegenwoordigd zijn); maar dat dat niet wegneemt dat eigenlijk het hele idee van een top honderd volslagen absurd is, ouderwets competitief, een neodarwiniaanse struggle for afterlife gebaseerd op onnatuurlijke selectie, bedoeld om strebers in de waan te laten dat ze zich geletterd mogen noemen wanneer ze hun ogen aan de top honderd verknoeid hebben.

8. Mocht iemand daartegen inbrengen dat het in dit digitale en onbelezen tijdperk toch geen kwaad kan dat er voor boeken reclame wordt gemaakt, op welke manier dan ook, en dat met name zware lectuur en lijvige boeken zoals ‘Ulysses' een steuntje in de rug nodig hebben, citeert u langs de neus weg Kevin J.H. Dettmar: "There's always something slightly defensive about the declaration of literary greatness in a culture that no longer cares greatly for literature." Voeg er eventueel aan toe dat u absoluut niet fanatiek bent of zo maar dat u een biologisch-dynamische afkeer heeft van en principieel allergisch bent voor boeken van meer dan vijfhonderd bladzijden omdat die ondingen hoegenaamd niet meer van deze tijd zijn (te veel tijdverspilling, te traag, allesbehalve zeitgeistig) en dat ze - zeg nu zelf - alle eigenschappen bezitten om er een grondige hekel aan te hebben.

9. Laat gerust merken dat u het stilaan op uw heupen krijgt als uw gesprekspartner niet afhoudt en oppert dat lezen iets is dat je moet leren en dat iedereen op zijn minst de kans moet krijgen om er een (eigen) hekel aan te hebben; dat trouwens de voorstanders van een doorgedreven waardenrelativisme zelf hun voorkeuren en lievelingsboeken hebben en dat onder subjectivisten net zo goed geheime of virtuele lijsten circuleren zowel van schrijvers die in de mode zijn als van boeken waar je best afblijft wil je bij de kliek horen. Als uw gesprekspartner bovendien contrapunteert dat een canon nuttig is, al was het alleen maar omdat die onvermijdelijk een tegencanon in het leven roept en er op die manier een interessante dialoog op gang kan komen, maakt u een einde aan de discussie en smijt u een koekjesdoos naar zijn kop.

10. Last but not list: Ulysses is een verderfelijk boek. Meteen na publicatie stond het in Amerika al op de zwarte lijst en nu staat het opnieuw bovenaan de lijst van een ouwe-mannenkliek. Lees het vooral niet. [DVH]

Vertaalwerk-in-wording

Robert-Jan Henkes en Erik Bindervoet werken al sinds twee jaar aan een vertaling van het onvertaalbaar geachte Finnegans Wake. De eerste vier hoofdstukken zijn bijna af. Als alles goed gaat, verschijnt de volledige vertaling medio 2004 bij Querido.

O Felix Culpa!

Finnegans Wake, aflevering 1132, waarin de gelukkige schuld der mensheid in termijnen wordt afbetaald als voorschot op de eeuwigheid door de kinderlijke minstreel uit Chatham en alle letters dansen.

O felix culpa, quae talem ac tantum meruit habere redemptorem! O vere beata nox, quae sola meruit scire tempus et horam, in qua Christus ab inferis resurrexit! O certe necessarium Adae peccatum, quod Christi morte deletum est!
O gelukkige schuld, die zulken en zo groten Verlosser heeft verdiend! O waarlijk zalige nacht, die allen verdiend heeft tijd en uur te kennen, waarop Christus uit het graf is opgestaan! O zeker noodzakelijke zonde van Adam, welke door Christus' dood is vernietigd!…

We naderen nu echt wel het hart van Finnegans Wake, de vloeibare kern van de planeet… Hier wordt het wel erg duister en zwaar, neerwaarts drukkend met een kracht van vele kilotonnen puur gewicht: het katholieke zondebesef (en het stikt van de katholieke frases in Finnegans Wake), maar niet van de katholieken alleen, dat zondebesef, hoewel die wel het schuldigst zijn aan het verspreiden van de gesel der mensheid De erfschuld, schuldbesef, agenbite of inwit, My fault (zoals de autopathobiografie van Billy Childish heet), het besef: el mas delido del hombre es haber nacido: de grootste schuld van de mens is geboren te zijn, om met Calderon de Spanjaard te spreken door de buik van Arthur Schopenhauer, een van wiens favoriete wijsheden tot levensmoeheid dit was. Het besef dat er geen vrijheid van de wil is — dat je bent zoals je bent, een objectivatie van de wil tot leven. Omdat we allemaal deelnemen aan het leven. En leven = doodgaan en doodmaken allebei. Daarom moet het wel slecht aflopen met de wereld, want het ziet er niet naar uit dat de mens nog wezenlijk zal veranderen. Iedereen blijft zijn wil achterna lopen, omdat hij eenvoudig niets anders ís dan geobjectiveerde wil tot leven, dat wil zeggen de belichaming ervan.

Maar Augustinus, de goede bisschop uit Hippo, ging nog een stapje verder: hij zegt dat zonder die zondeval van Adam Erectus, de eerste spuitgast, er ook geen Jezus afgedaald was om ons ervan te verlossen.
Dus: o gelukkige zonde, o gelukkige schuld, zingt hij in het aan het toegeschreven Paasgebed, waar we deze stichtelijke aflevering 1132 van Finnegans Wake mee openden. (Andere, nieuwere bronnen knopen dit paasgebed daarentegen weer bij Sint Ambrosius aan.)

En daar beginnen bij ons de vraagtekens als evenzovele nacht- en votiefkaarsjes te branden, want het is toch te gek voor woorden — een typisch staaltje scholastiek, jezuïtische casuïstiek avant-la-lettre, een husteron proteron van jewelste, een omkering van alle waarden: eerst de boel een beetje lopen opnaaien met een God die ons allemaal geschapen zou hebben om meteen in de eeuwige verdoemenis te smijten, en dan de 21ste cavalerie eropaf sturen (om die vervolgens weer te laten afslachten bij de Golgotha Hills) — nee, zo is de cirkelredenering mooi rond.

O felix culpa. Zo staat het er niet in Finnegans Wake, want niets staat er zoals het er net nog stond. Lees maar: O foenix culprit, staat er (op blz. 23, regel 16). Dat is mooi gevonden, zo mooi dat hij het boek om deze vondst heen heeft geschreven (maar dat denken we wel vaker, op elke bladzijde gemiddeld twee keer). En in de rest van het boek staan er weer ander varianten, welgeteld (door Clive Hart en Beryl Schlossman) eenentwintig:
O'Phelim's Cutprice (72.04), Ophelia's Culpreints (105.18), O'Faynix Coalprince (139.35), O fortunous casualitas (175.29), O happy fault (202.34), felixed is who culpas does (246.31), O felicitous culpability (263.29), since fillies calpered (297.10), for finixed coulpure (311.26), them phaymix cupplerts (331.02), whet between phoenix his calipers (332.31), Colporal Phailinx (346.35), fellows culpows (363.20), Fu Li's gulpa (426.17), O foolish cuppled! (433.28), Oh Finlay's coldpalled (506.09), Poor Felix Culapert! (536.08), O foetal sleep! Ah, fatal slip! (563.10), fellhellows… culponed (569.26), O ferax cupla! (606.21), O, felicious coolpose! (618.01).

De vraag is natuurlijk: hoe dit te vertalen? En met name de eerste keer dat deze gelukkige woordkeus optreedt (we vertalen namelijk lineair: van voor naar achter).
O foenix culprit! Humphrey Kibbeling Ierwicker is de culprit, wat tussen haakjes ook alweer voor meerdere uitleg vatbaar is, in gewoon Engels al. Culprit is de verdachte én (of of, of en/of of en/en) de dader! Over klassejustitie gesproken! Geen wonder dat er in Engelse taalgebieden (waar Nederland bijna ook al toe hoort) voortdurend gevangenen bij de bosjes weer op vrije voeten worden gesteld, de Guiltford Four, de Birmingham Six, enz… omdat ze er op een gegeven moment toch achter waren gekomen dat er nog wel een nuanceverschil is tussen verdachte en dader. ‘De verdachten zullen hun gerechte straf niet ontlopen.' (Irish Bull uit de Stalintijd) Of omgekeerd: ‘Ik heb het niet gedaan!' ‘Goed, maar laat het niet weer gebeuren.' (Ulysses 446)

Subtiel woordje, dat ‘culprit.' In Nederland hebben we ook zoiets, één woord voor twee begrippen: ‘A lot of evidence but no proof': veel bewijzen maar geen bewijs, zou je dat moet vertalen. En waar heeft Ierwicker zijn verdachte, niet te verontschuldigen noch te verschonen miswanschandeuvelheterdaad begaan? In Phoenix Park, Dublin.
O foenix culprit!
Hij is de zondebok, de waarlijk gevallen en gezonden zondebok, die steeds weer uit zijn as zal herrijzen. Want hij is zelf ook die vogel Phoenix: ‘Mij krijgen ze er niet onder!…'

Voor ons staat die katholieke mythe van de erfzonde nogal ver van ons af, als een soort uitgestorven beest, een Indricotherium, een soort Eddy Wally, of een standbeeld van iemand van wie je niet eens weet wie het is — laat staan wat hij gedaan heeft, om zich zo in brons te laten afgieten. Was het een koning, of een door haaien aangevreten schrijver die keizer wilde worden van het rijk van Insulinde? Of was het iemand anders?

Daarom stapte een onzer, de katholieke wederhelft van ons infernale duo, naar deken Somers in Heeze (NB!) en vroeg hem waar dat Paasgebed vandaan kwam. Hij kende deken Somers nog van toen hij eerste communie bij hem deed, iets wat toen nog eerste ‘heilige' heette (in Vlaanderen ‘plechtige'), maar dat kon hij (die ene onzer) niet over zijn lippen krijgen. ‘Heilig'!… Wat een flauwekul! De deken herinnerde zich niks van deze heilige plechtigheid (denk je dat je wat betekent in het leven van zo'n man, die toch als plaatsvervanger van God op aarde de zieltjes moet wieden en hoeden en schoffelen), maar misschien is dat maar goed ook. Wat hij gelukkig wel nog wist, was dat de woorden kwamen uit het Paasgebed, dat weer afgedrukt stond in het zogenaamde Missaal, een boek met de hele katholieke liturgie in twee talen uitgeschreven om elke dag van het jaar wat te zeggen hebben in de kerk.

In de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam (de UB) kwamen we uit bij het boekje ‘De Goede week': ‘De drie laatste dagen der goede week, de latijnse tekst der kerkelijke diensten en plechtigheden van witte donderdag, goede vrijdag en paaszaterdag volgens het romeins missaal met de nederlandse vertaling en ene korte uitleg der beteekenis door een Roomsch katholiek priester, vijfde druk, Amsterdam, C.L. van Langenhuizen 1901. Met het imprimatur van J.A van den Akker, lib. cens. te Haarlem. (Want zo'n missaal kun je alleen nog maar antiquarisch krijgen — die worden helemaal niet meer gemaakt!) En opgedragen aan de onbevlekte moeder der smarten enz enz enz…

Maar hebben we daar wat aan?
O foenix culprit! Ex nickylow malo comes mickelmassed bonum. De eerste vertaalvariant die we hadden kwam vrij dicht bij het origineel, het was bijna de perfecte een-op-een-vertaling, namelijk: O feniks culprit. Waarbij culprit uit het Engels komt. En soms is het goed het Engels door de vertaling heen te laten schijnen, want dan krijg je er tenslotte een Engelse laag bij, maar dit gaat toch wel iets verder dan ‘het Engelse erdoorheen laten schijnen'. Het is zo transparant dat er niks meer te schijnen valt.

Anderzijds: neem de eerste regel: rivierein, voorbij de Eva en Adam, van zwierig strand naar baaiig bocht, brengt ons via een recirculaire commodius vicus terug naar Howth Kasteel en Immelanden. Daar hadden we eerst voor Howth Castle: Hoofts kasteel, namelijk het slot bij Muiden, ook wel het Muiderslot. Het idee daarachter was dat in Hoofts kasteel wel Howth Castle meeklonk en meegedacht kon worden, maar dat je in Howth Castle niet makkelijk het broeinest van PC Hooft zou kunnen ontdekken. Er is maar één reden dat we er toch van afgestapt zijn, en dat is, dat het de eerste regel was. Dan zou zo'n vertaling meteen een programmatische lading krijgen en dat is zonde. (Zonde in de zin van jammer.)

Wat heeft de Duitse vertaler, unser Dieter Stündel? Oh fölixt Culpel! Begrijpen we niet. Luigi Schenoni heeft: O foenix culpreo! Philippe Lavergne heeft: O coupable faute! Beetje dubbelop, maar daarom wel leuk. Lekker redundant. In het Spaans van Víctor Pozanco: die blijkt de frase helemaal overgeslagen te hebben, net als de hele Prankquean-episode en nog wel meer ook: er is van Finnegans Wake in het Spaans minder dan eenderde overgebleven. Misschien heeft hij A shorter Finnegans Wake vertaald? De Japanse vertaling hebben we niet, en als we hem hadden konden we hem toch niet lezen (vgl. Wittgenstein en de leeuw). Waarmee maar gezegd wil zijn dat het toch ook weer niet zúlk gekkenwerk is wat we doen en dat wij als lotelingen en dopelingen van de Nederlandse taalstam toch weer jaren achterlopen bij wat er in de beschaafde en literatuurminnende landen om ons heen gebeurt…

Maar de vertalers zijn wel allemaal van de Augustinus- (cq Ambrosius-) uitroep in het Latijn uitgegaan, en ze hebben de phoenix eringelaten. Wij hebben nog met de gedachte gespeeld om juist van de Nederlandse vertaling van het paasgebed uit te gaan, O gelukkige schuld, en daarvan iets te maken met schulp of bult: O schurkerige bult (Ierwikker is een bochelaar: de last van de erfzonde op zijn rug heeft fysieke vormen aangenomen). Maar waar blijft het park dan? Toch maar uitgaan van het Latijn?
O fenix culpa. O vreesniks schuldvraag. O feestneus smulpaap.
Nog steeds zit het park te ver weg verstopt naar onze zin. Niet dat deze varianten nergens op slaan, want we kunnen altijd alles uitleggen, maar er gaat gewoon te veel verloren. Phoenix laten we staan. En van culpa, of liever gezegd culprit moeten we nog iets maken. Maar wat.

Na veel vijven en zessen tot in de kleine uurtjes, haren uit hoofden getrokken en kussens volgeweend om onze eigen tekortkomingen en beperkingen en die van het achterlijke Nederlandse onderwijs in het bijzonder, om nog maar te zwijgen van de Nederlandse taal zelf, en van het feit dat het in het Engels allemaal zo precies past, kwamen we uiteindelijk uit op het woord kalpa, wat in ieder geval als ‘culpa' klinkt.
Maar wat is kalpa?
We slaan er het Lexicon van Kapitein Iglo op na en lezen daar:
Kalpa — Eén kalpa is één dag uit het leven van de Grote Schepper, één draai van de grote wasmachine en de dag is om, en die ene dag is verdeeld in duizend maha yuga's. Eén maha yuga heeft vier gewone yuga's, dat zijn vijf tijdperken: water, aarde, lucht, vuur en ijs, die samen vier miljard driehonderdtwintig miljoen jaar duren. De laatste yuga, het ijstijdperk, duurt het kortste, vierhonderdtweeëndertigduizend jaar en daarin leven we nu. Na elke kalpa worden hemel en aarde vernietigd waarna ze opnieuw beginnen en na een eeuw van zulke dagen uit het leven van de Grote Schepper (driehonderdvijfenzestigduizend kalpa's) worden hemel en aarde opgeslokt door de uiteindelijke allesbevattende leegte, waarna een nieuwe eeuw van de Grote en Onsterfelijke Schepper begint.

Okee! Helemaal in de Boeddhistische geest van Finnegans Wake: alles begint opnieuw. We verliezen wel de persoonsverbastering van culpa tot culprit — maar in culpa zelf is de fout, de schuld al, dus dat idee blijft er wel inzitten. En in onze kalpa zitten alle afzonderlijke zondaars sowieso al meegedacht in de cyclus van baren en geboren worden, van metempsychose en zielsverhuizing, van ik ben hem en jij bent hij en wij zijn ieder een… Daarmee winnen we terug het cyclische motief (zeg maar gerust thema): alles komt terug in Finnegans Wake: insecten, drank, schuldbesef. Voorlopig houden we het erop: O feniks kalpa. Zo, weer twee woorden opgeschoten. Nog eenentwintig ‘o felix culpa's' te gaan…

PS: Nog even over de eigen naam de oorwurm, en met name de vraag waarom Earwicker Earwicker heet en uit Sidlesham komt. Theorieën uit oudere bronnen, lezen wij in Finnegans Wake op bladzijde 30, hadden hem bij andere cruciale voorouders willen aanknopen, en hebben hem tot uitspruit van vikingen uitgeroepen en hem in Herrick of Eric gesitueerd. Nu blijkt dat de oude, juiste uitspraak van de naam Earwicker "Erricker" is, vandaar dat Joyce die naamsvarianten noemt (aldus Clive Hart in de Wake Digest, 1968). Dus we zullen het voortaan over Errikker of Eriker moeten hebben, en niet meer over een earwig, wat een heel ander licht op dezelfde zaak werpt. Misschien heeft die hele Earwicker niets maar dan ook helemaal geen ene reet, spleet of kier (waar het beestje zich graag in verstopt) met een oorwurm te maken, en moeten we naar een andere verklaring en vertaling op zoek…
[EB & R-JH]

Werkten mee aan dit nummer

Eric Bindervoet
Robbert-Jan Henkes
Inge Landuyt
Geert Lernout
Eric Mijts
Katrijn Serneels
Dirk Van Hulle

PS: In het vorige nummer was niet duidelijk wie de geheimzinnige medewerker BB was: het antwoord vindt u deze dagen steeds vaker in de wekelijkse Café des Arts bijlage van De Morgen: Bert Bultinck!

  Abonnement
 

De nieuwsbrief van het Centrum voor de wetenschappelijke studie van het werk van James Joyce verschijnt twee maal per jaar.

U kan zich abonneren door 180,- BEF/10,- NLG over te schrijven op rekening nr.:

001-0998555-16 voor België

Postbank 3353816 voor Nederland
op naam van Geert Lernout
met vermelding van 040 L GER 1833 en uw naam
en deze strook ingevuld terug te sturen naar het:

James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B2610  Wilrijk (Antwerpen)
België

of per fax: 32-3-820.27.62

of e-mail:  lernout@uia.ua.ac.be.
 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Abonnement Nieuwsbrief James Joyce Centrum Antwerpen

NAAM: ........................................................................................................................................

VOORNAAM: ..............................................................................................................................

ADRES: ......................................................................................................................................

TELEFOON: ...............................................................................................................................

FAX: ............................................................................................................................................

E-MAIL: .......................................................................................................................................

BACK TO GNANTWERP