>Yes, life I suppose, there is no other word=

Over Beckett en Joyce

Dirk Van Hulle

Het woord >ja= is sinds 1922 een beroemd citaat uit Ulysses van James Joyce. Het is onder meer het antwoord op het huwelijksaanzoek van Leopold Bloom, zoals zijn vrouw Molly het zich achteraf herinnert. Tien jaar nadat Joyce het einde van Ulysses had geschreven, besloot hij - ondanks zijn vele bezwaren en onder druk van zijn kinderen - toch te trouwen met Nora. Nog eens dertig jaar later huwde Beckett op zijn beurt met Suzanne Deschevaux-Dumesnil, eveneens uit praktische en overwegingen. De aarzelende manier waarop deze twee schrijvers hun jawoorden wogen, is symptomatisch voor de zorgvuldige manier waarop ze dat met de rest van hun vocabularium deden. Daarbij speelden vier vrouwen een cruciale rol.

1. Molly

>Het laatste woord (menselijk, al te menselijk) is aan Penelope,= schreef Joyce in een brief aan Frank Budgen, eind februari 1921 (Ellmann 501). Dat Nietzsche een half jaar later nog altijd op de achtergrond aanwezig was, blijkt uit een andere brief aan Budgen (16 augustus 1921), waarin Joyce zijn personage Molly Bloom, voorstelt als het >ewig Weibliche=. Het >vrouwelijke woord ja= stond volgens hemzelf voor niets minder dan de vaginale oorsprong van de wereld, zoals ook Courbet die zag. Daarmee begint en eindigt het laatste hoofdstuk van Ulysses, waarover hij nog schreef: >Ook al is het wellicht obscener dan om het even welke voorgaande episode, het lijkt me volkomen okee vol amoreel bevruchtbaar onbetrouwbaar innemend doortrapt beperkt voorzichtig onverschillig Weib. Ich bin der [sic] Fleisch der stets bejaht.= (Ellmann 501-502)

>Der Geist der stets verneint,= zoals Mefisto in Goethes Faust, is Stephen Dedalus (Lernout 155). Het hoofdpersonage van A Portrait of the Artist as a Young Man is in vele opzichten een alter ego van Joyce als jongeman. Maar toen Joyce in zijn midlife crisis zat, was het een andere mefisto die deze Faust zijn diensten aanbood. Als een jonge Stephen Dedalus kwam Samuel Beckett in november 1928 naar Parijs, waar Joyce op dat moment woonde en werkte. Beckett was als tweeëntwintigjarige assistent Engels nog maar pas aangesteld op de prestigieuze École Normale Supérieure, of hij werd al geïntroduceerd aan Joyce. Die gaf hem nog geen maand later de opdracht om een essay te schrijven over zijn Work in Progress dat in 1939 zou verschijnen onder de titel Finnegans Wake.

In zijn essay over Dante...Bruno.Vico..Joyce (de puntjes staan voor de eeuwen die deze denkers en schrijvers van elkaar scheiden) vatte Beckett onder meer de filosofie van Giordano Bruno samen: >Er is geen verschil, beweert Bruno, tussen de kleinst mogelijke koorde en de kleinst mogelijke boog, geen verschil tussen een oneindige cirkel en een rechte lijn. De maxima en minima van bepaalde tegengestelden zijn één en ononderscheiden. Minimale warmte staat gelijk aan minimale koude. Het beginpunt (minimum) van de ene tegengestelde ontleent zijn dynamiek aan het beginpunt (maximum) van de andere. [...] Maximale snelheid is een toestand van rust. Het maximum van ontbinding en het minimum van wording zijn één en hetzelfde: in beginsel is ontbinding wording.= (Disjecta 54)

Van die slotsom maakte Friedhelm Rathjen: >In beginsel is Beckett Joyce.= De ontmoeting tussen deze twee totaal verschillende schrijvers is te vergelijken met het samenvallen van tegengestelden, de zogenaamde coincidentia oppositorum volgens het principe van Bruno. Maar de verschillen tussen Joyce en Beckett zijn langzaam gegroeid. In 1928 had Beckett nog niets substantieels geschreven. Hij keek aanvankelijk zo op naar zijn mentor, dat hij niet alleen de stijl en de schrijfmethode van de meester probeerde te imiteren, maar ook witte wijn begon te drinken en te kleine schoenen droeg om maar dezelfde schoenmaat als Joyce te hebben.

Doordat Beckett zo vaak bij Joyce over de vloer kwam, zag hij de dochter des huizes bijna dagelijks. Lucia was maar één jaar jonger dan Beckett en had al gauw een oogje op hem. Beckett nam haar wel eens mee naar een restaurant of naar het theater, maar hij was eigenlijk minder in haar geïnteresseerd dan in haar vader. Toen hij haar dat in mei 1930 duidelijk maakte, kwam het tijdelijk tot een breuk met de familie Joyce. Vooral Nora was verontwaardigd dat Beckett haar dochter had misbruikt om bij James in de gunst te komen.

Anderhalf jaar lang was Beckett niet meer welkom bij de Joyces. Hij verdiepte zich dan maar in het werk van een andere modernist. In de zomer van 1930 schreef hij een lang essay over Marcel Proust. Het is ook niet onbelangrijk dat hij net na de breuk met Joyce, in juli 1930, het werk van Arthur Schopenhauer las. Het pessimisme van Schopenhauer en Proust heeft een belangrijke rol gespeeld in de poging van Beckett om stilaan los te komen van Joyce en zijn eigen weg te zoeken. Terwijl Beckett Die Welt als Wille und Vorstellung las, bleef Joyce zichzelf beschouwen als een >frightful example of the will to live= (Colum 46). Hij had blijkbaar meer met Nietzsche op. Vooral in het begin van de twintigste eeuw toonde hij grote interesse in diens werk (Ellmann 142). Ook al was Joyce volgens Ellmann geen Nietzscheaan, zijn verbale Lebensbejahung heeft vaak veel weg van een dionysische roes in woorden.

Aanvankelijk bleef de invloed van Joyce vooral in Becketts stijl nog duidelijk zichtbaar, maar onderhuids is een veel negatievere ondertoon merkbaar. Dat blijkt onder meer uit een van de eerste verhalen die Beckett publiceerde in transition, het tijdschrift van Eugene Jolas waarin ook Joyce zijn Work in Progress in afleveringen liet verschijnen. Sedendo et Quiescendo is het verhaal van Belacqua die de trein neemt om zijn geliefde Smeraldina-Rima in Duitsland te gaan bezoeken. Het is grotendeels gebaseerd op Becketts eigen reis in Duitsland en Oostenrijk van augustus tot oktober 1928, toen hij zijn geliefde Peggy Sinclair bezocht.

Voor een liefdesverhaal eindigt Sedendo et Quiescendo wel heel ongewoon: >Here we are. Out we get. Step around. [...] Prosit. God bless. Lav on the left. Won=t be a sec. Mind the bike. Mind the skis. Beschissenes Dasein beschissenes Dasein Augenblick bitte beschissenes Dasein Augenblickchen bitte beschissenes= (16). Dit staccato klinkt totaal anders dan de ononderbroken gedachtestroom van Molly in Ulysses, maar haar slotmonoloog ging in de ogen van Beckett over hetzelfde >beschissenes Dasein=. In verband met Molly=s >ja= zei Beckett dertig jaar later dat het neerkwam op >saying yes to this atrocious affair of life= (Knowlson 498).

2. Nora

Terwijl Beckett de nadruk legde op de >atrocious affair= en daarmee een punt zette achter zijn verhaal in juli 1931, besloten Nora en James Joyce in diezelfde maand om dan toch maar ja te zeggen. Ze trouwden officieel op 4 juli 1931. Toen Joyce in Londen was, probeerde Beckett zijn verhaal te publiceren. Zijn collega Thomas McGreevy had er al over gesproken met Charles Prentice van uitgeverij Chatto and Windus; hij had hem gezegd dat Beckett ermee de Joyce-toer op ging. Toen Beckett zelf het verhaal naar Prentice opstuurde, schreef hij erbij: >natuurlijk stinkt het naar Joyce ondanks mijn ernstige inspanningen om er mijn eigen geuren aan te geven.= (Knowlson 160)

Sedendo et Quiescendo was een onderdeel van Becketts eigen >work in progress=, een boek dat hij tijdens zijn leven nooit heeft willen publiceren en dat postuum verscheen onder de titel Dream of Fair to Middling Women. Het manuscript was klaar tegen het einde van juni 1932. Sinds het begin van dat jaar was de vriendschap tussen Joyce en Beckett weer hersteld. Beckett toonde zich bezorgd om de geestelijke gezondheid van Lucia, die zienderogen achteruitging ook al wilde Joyce dat op dat moment nog niet openlijk toegeven.

Intussen bleef Beckett zich er wel van bewust dat hij op literair vlak afstand moest nemen van Joyce. De schrijfmethode van Joyce bestond uit het nemen van losse aantekeningen zonder bibliografische referenties, die samen een enorme woordenvoorraad vormen. Op basis van dit ruwe materiaal schreef hij de tekst van Finnegans Wake. In opeenvolgende versies voegde hij daar telkens nieuwe, vaak vervormde woorden aan toe, zodat de tekst steeds ondoorzichtiger werd. Ook Beckett verzamelde in de vroege jaren dertig een soortgelijk woordenamalgaam, dat hij zijn >verbale buit= noemde. Hij vermeldde evenmin de referenties van de bronteksten die hij had geplunderd.

De afstand die Beckett van Joyce nam, uit zich onder meer in zijn notities. In Sedendo et Quiescendo maakt Belacqua zich de bedenking: >I wonder did I do well to leave my notes at home= (15). Die notities verwijzen volgens John Pilling naar een schriftje waarin Beckett lectuurnotities, korte aantekeningen en kleurrijke uitdrukkingen in optekende die hij in Dream of Fair to Middling Women verwerkte. Terwijl deze aantekeningen grote overeenkomsten met die van Joyce vertonen, bevat het zogenaamde >Whoroscope= Notebook (dat dateert van de tweede helft van de jaren dertig) heel wat langere filosofische en wetenschappelijke aantekeningen over Kant, Spinoza, Aristoteles, Darwin, Pascal en anderen. Beckett vermeldt hierin wel bibliografische referenties.

Zo heeft hij een twintigtal pagina=s volgeschreven met lange citaten uit de Beiträge zu einer Kritik der Sprache van Fritz Mauthner, een taalfilosofisch werk in drie volumes uit de eerste jaren van de twintigste eeuw. De voornaamste idee achter de taalscepsis van Mauthner is dat onze gedachten en taal met elkaar te vereenzelvigen zijn en dat ze geen enkele betrouwbare overeenkomst vertonen met de werkelijkheid. Omdat onze taal gebaseerd is op de herinnering van zintuiglijke gewaarwordingen uit het verleden is ze niet meer dan een benadering, een metafoor, eerder een obstakel dan een brug tussen ons verstand en de werkelijkheid. Daarom is de taal ongeschikt om de essentie van de realiteit te ontdekken of om kennis te verwerven, want elk woord gaat gepaard met de boventonen van zijn geschiedenis. En aangezien woorden gebaseerd zijn op gewaarwordingen uit het verleden en elke mens andere herinneringen heeft, is taal zelfs ongeschikt voor communicatie.

In zijn essay over Proust schreef Beckett al dat taal slechts een benadering van de werkelijkheid is, een vertaling en dus onvermijdelijk een vervorming van om het even welke gewaarwording. Bovendien: >De artistieke tendens is nooit expansief, ze is een contractie. En kunst is de apotheose van de eenzaamheid. Er is geen communicatie omdat er geen dragers voor de communicatie zijn.= (Disjecta 35) Communiceren met anderen is problematisch en hen kennen is al helemaal uitgesloten: >Wij zijn alleen. Wij kunnen niet kennen en wij kunnen niet gekend worden= (Disjecta 37), een gedachte waar hij zijn essay zelfs mee opent en die hij rechtstreeks uit de Kritik der Sprache lijkt te halen.

Toch is het niet zeker of Beckett in 1930 het werk van Mauthner al gelezen had. Volgens Beckett was het Joyce die hem met het werk van Mauthner in contact bracht in 1929 of 1930. Tenminste, dat meende hij zich te herinneren in een brief aan Linda Ben-Zvi op 28 juli 1978. In de notitieboeken van Joyce zijn inderdaad aantekeningen over Mauthners Kritik terug te vinden, maar die dateren van 1938. Joyce las Mauthner toen zijn carrière naar zijn einde liep; die van Beckett moest toen nog beginnen. Terwijl de ideeën van Mauthner in de poëtica van Joyce ingebouwd konden worden, lagen ze mee aan de basis van (en hadden ze een veel fundamentelere invloed op) Becketts zelfnegerende literatuur.

De conclusies die beide schrijvers uit het werk van Mauthner trokken waren grondig verschillend, maar deze twee uitersten in de Engelse literatuur - zeg maar de overvloed en de kaalslag - vullen elkaar perfect aan en zijn niet los te denken van elkaar. In die zin was het contact tussen Joyce en Beckett in Parijs inderdaad een coincidentia oppositorum à la Giordano Bruno. In juli 1937 zette Beckett zijn poëtica (in het Duits) uiteen in een belangrijke brief aan Axel Kaun. Hij lichtte Kaun in over zijn voornemen om door te dringen tot >het aan alles ten grondslag liggende zwijgen= door middel van zijn zogenaamde literatuur van het onwoord. Wat dit juist inhield, kon hij enkel negatief definiëren door het te contrasteren met de overvloed in het Work in Progress van Joyce: >Met een dergelijk programma heeft het allerlaatste werk van Joyce mijns inziens helemaal niets van doen. Daar lijkt het veeleer om een apotheose van het woord te gaan. Tenzij hemelvaart en helleval een en hetzelfde is.= (Disjecta 85)

Omdat Joyce ondanks een dozijn oogoperaties nog nauwelijks kon zien, hielp Beckett hem eind jaren dertig tijdens het laatste stadium van Work in Progress, onder meer door lectuurnotities te nemen. De aantekeningen die hij voor Joyce maakte (bijvoorbeeld over Indische mythologie uit een boek van Heinrich Zimmer), verschillen duidelijk van zijn eigen notities. Daaruit blijkt de betrekkelijke onafhankelijkheid die Beckett intussen had gewonnen. In een brief aan Thomas McGreevy schreef hij op 5 januari 1938 dat hij het niet meer als een gevaar aanvoelde om met Joyce geassocieerd te worden - >He is just a very lovable human being.= (Knowlson 290)

Een andere allerbeminnelijkste soortgenoot die hij in de late jaren dertig leerde kennen, was Suzanne Deschevaux-Dumesnil. Samen met haar vluchtte hij in juni 1940 uit Parijs, toen de Duitsers de stad bezetten. Ze namen de trein naar Vichy, waar de Joyces verbleven. Met een introductiebrief van Joyce klopten ze aan bij Valery Larbaud, die hen genoeg geld leende om verder te kunnen trekken. Na een lange tour de France besloten ze in september 1940 toch terug te keren naar Parijs. Een van hun vrienden die nooit meer terugkeerde, was James Joyce. Hij stierf op 13 januari 1941.

3. Suzanne

Als schrijver had Beckett echter al veel langer afscheid genomen van Joyce. Op het einde van zijn leven keek Beckett op die belangrijke stap terug in een interview met James Knowlson: >Ik besefte dat Joyce zo ver mogelijk was gegaan in de richting van meer weten, van controle over het materiaal. Hij voegde er steeds aan toe; je moet zijn drukproeven maar bekijken om dat te zien. Ik besefte dat mijn eigen weg in verarming lag, in een gebrek aan kennis en in het wegnemen, veeleer in aftrekken dan in optellen.= (Knowlson 352) Dit besef is gegroeid tijdens de jaren dertig, ook al wist hij op dat moment nog niet precies hoe hij zijn voornemen in de praktijk moest brengen.

Een eerste poging is een belangrijke passage in Dream of Fair to Middling Women waarin Belacqua aankondigt dat hij een boek zal schrijven, >een boek waarin de bewoording zelfbewust doortrapt en glad is, maar van een andere doortraptheid en gladheid dan die van haar buren op de pagina. [...] De ervaring van mijn lezer zal tussen de frasen plaatsvinden, in de stilte geuit door de tussenruimten, niet de termen van de verklaring= (Dream 138). Als een van zijn voorbeelden vermeldt Belacqua de composities van Beethoven >die weggevreten worden door verschrikkelijke stiltes= (Dream 139).

In de literaire zoektocht naar die stiltes speelt muziek, met name die van Beethoven, een belangrijke rol. In zijn brief aan Axel Kaun verwees Beckett opnieuw naar de stiltes in Beethovens muziek: >Is er een of andere reden waarom die gruwelijk willekeurige materialiteit van de woordenlaag niet tot ontbinding mag worden gebracht - zoals bijvoorbeeld in Beethovens zevende symfonie de klanklaag wordt aangevreten door grote duistere rusten - zodat we haar pagina=s lang niet anders zouden kunnen waarnemen dan als een dergelijk duizelingwekkend pad van geluiden dat onpeilbare afgronden van stilzwijgen verbindt?= (Disjecta 84).

Toen Beckett in februari 1934 in Londen verbleef, ging hij regelmatig naar concerten, onder meer naar enkele uitvoeringen van de late strijkkwartetten van Beethoven. Peggy Sinclair was nog geen jaar tevoren gestorven aan tuberculose, toen hij in een brief aan haar broer Morris de woorden copieerde die Beethoven op het manuscript van het strijkkwartet opus 135 schreef: >Der schwergefasste Entschluss=, de vraag >Muss es sein= en daarop het antwoord van het laatste allegro: >Es muss sein=.

>Muss es sein= duikt als een wrang motto telkens weer op in de brieven van Beckett, op de pijnlijkste momenten van zijn leven. Algemeen wordt aangenomen dat >Es= de dood is, die Beethoven in zijn laatste strijkkwartet niet zonder moeite aanvaardde. Wat Beckett hiermee op zijn beurt aanvaardde, was niet zozeer de dood, maar eerder >this atrocious affair of life=. In de eerste schets voor Play, die Beckett neerschreef in een restaurant op 30 april 1962, keert het motief terug: >New play. Must it. [...] Play of light and dark. Must speak when light on (life) - (Must accept life).= (Knowlson 498)

Die aanvaarding ging gepaard met een toegenomen besef van de dood. Hij kende Suzanne al sinds het einde van de jaren dertig, maar ze waren nog altijd niet getrouwd. Beckett wist dat Suzanne volgens de Franse rechtspraak niet automatisch aanspraak maakte op de auteursrechten als hij zou sterven. Daarom reisden ze, net als Joyce en Nora dertig jaar tevoren, naar Engeland waar ze om dezelfde reden trouwden op 25 maart 1961.
 
 
 
 
 
 

4. Winnie

Beckett werkte op dat moment volop aan Happy Days. De tekst van dit stuk is net als de composities van Beethoven >weggevreten door verschrikkelijke stiltes=. Hij hangt aaneen van de rusten. >Words fail= (147) en toch: >That is what enables me to go on, to go on talking that is= (145). De woorden van Winnie impliceren de nood aan een luisteraar om haar bestaan te confirmeren; esse est percipi. Dus vraagt ze: >Willie, just yes or no, can you hear me, just yes or nothing= (147). Willie antwoordt vijf keer >ja=, bijna zo vaak als het woord in de laatste regels van Ulysses voorkomt:

en toen vroeg ik hem met mijn ogen het nog es te vragen ja en toen vroeg ie me of ik ja zei ja mijn bergbloem en eerst sloeg ik mijn armen om hem heen ja en trok hem op me neer zodat ie mijn borsten voelde een en al geur ja en zijn hart sloeg als gek en ja zei ik ja zeker Ja.
 
Hoezeer Molly=s ononderbroken gedachtestroom en Winnie=s door woorden verbonden stiltes ook van elkaar verschillen, ze vinden elkaar in dezelfde slotsom dat geen sterveling zonder soortgenoten kan, al was het maar om zijn of haar >beschissenes Dasein= te bevestigen. >Yes, life I suppose, there is no other word.=
 

[close window]
 

Bibliografie

Samuel Beckett, Dream of Fair to Middling Women, New York: Arcade Publishing, 1992.

Samuel Beckett, Sedendo et Quiescendo, in: The Complete Short Prose 1929-1989. Ed. S.E. Gontarski, New York: Grove Press, 1995: 8-16.

Samuel Beckett, Happy Days, in: The Complete Dramatic Works, Londen: Faber and Faber, 1986.

Samuel Beckett, >Dream= Notebook, ed. John Pilling, Reading: Beckett International Foundation, 1999.

Samuel Beckett, Disjecta, Groningen: Historische Uitgeverij, 1999.

Linda Ben-Zvi, >Fritz Mauthner for Company=, in: Journal of Beckett Studies 9 (1984): 65-88.

Mary and Padraic Colum, Our Friend James Joyce, New York: Doubleday, 1958.

Richard Ellmann, James Joyce (revised edition), Oxford: Oxford University Press, 1983.

James Joyce, Ulysses, vert. Paul Claes en Mon Nys, Amsterdam: Bezige Bij, 1994.

James Joyce, Finnegans Wake, Londen: Faber and Faber, 1975.

James Knowlson, Damned to Fame: The Life of Samuel Beckett, London: Bloomsbury, 1996.

Geert Lernout, James Joyce schrijver, Leuven: Kritak, 1994.

[close window]