Dirk Van Hulle
Wat zou Joyce geweest zijn zonder censuur? Zou Ulysses ooit zijn uitgeroepen tot het beste boek van de voorbije eeuw, zou het bovenaan gestaan hebben in de top honderd van Random House als er niet de prikkelende gedachte aan vastzat dat het ooit op de lijst van verboden boeken heeft gestaan? Om na te gaan hoe Joyce de hemel der letteren bereikte via het linke hinkelspel van de censuur, bestaat er geen betere methode dan die van Cortazar: bekijk de zaak van deze, die en andere kanten.
Van die kant
Ulysses is een verderfelijk boek. Nog voor het uitkwam, was de voltallige New York Society for the Suppression of Vice het daarover eens. De heer secretaris van dit genootschap, John Sumner, kreeg in de zomer van 1920 een tip. De dochter van een vooraanstaande advocaat in New York had ongevraagd een exemplaar ontvangen van het Newyorkse tijdschrift The Little Review, waarin sinds maart 1918 de eerste hoofdstukken van Ulysses in voorpublicatie verschenen.
Het juli-augustusnummer bevatte hoofdstuk dertien ('Nausicaa'). Daarin worden de volgende voyeuristische activiteiten beschreven, die plaatsvonden op 16 juni 1904: nadat Leopold Bloom een daglang door Dublin heeft rondgeslenterd, arriveert hij op het strand van Sandymount en gaat er op een bank zitten. Verderop zit Gerty MacDowell, met haar vriendinnen op een baby en twee kinderen te passen. Op de achtergrond is de orgelmuziek van een kerkdienst te horen en er is een vuurwerk ophanden. Wanneer de vriendinnen met de kinderen vertrekken om ernaar te gaan kijken, blijft Gerty zitten en laat Bloom gewillig onder haar rokken gluren. Terwijl op de achtergrond de weesgegroeten uit de kerkdienst gonzen, glijdt zijn blik langs haar slanke dijen rechtstreeks naar haar slipje vol van genade in de kleur van de goedertieren maagd. Wat er verder nog aan de hand is, vindt plaats in de broek van Bloom, waar hij synchroon met het vuurwerk een privé-bloemekee voorbereidt: "My fireworks. Up like a rocket, down like a stick."
Na dit schouwspel probeert Bloom zichzelf meteen van de andere kant
te bekijken en vraagt zich af of Gerty gezien heeft wat hij deed: "Ongetwijfeld
heeft ze aangevoeld dat ik." De vraag is of ook de anonieme advocaatsdochter
aangevoeld heeft dat het hier om een literaire masturbatie ging. Joyce
maakte dit geleerde woord er immers niet aan vuil. Hij ging veel sluwer
tewerk door het hoofdstuk te openen in de zeemzoete stijl van een hartverwarmende
vrouwenmagazine: "De zomeravond begon de wereld reeds in zijn geheimnisvolle
omhelzing te sluiten. In het westen zonk de zon ter kimme" enz. Zo werd
de nietsvermoedende dochter van de vooraanstaande advocaat de tekst ingelokt
met misleidend taalgebruik. Toen John Sumner doorzag welke obsceniteiten
hier in bedekte termen verhaald werden, porde hij de officier van justitie
aan om een proces aan te spannen tegen de redactie van The Little Review.
Van deze kant
De advocaat John Quinn nam de verdediging van The Little Review op zich. Op 21 oktober 1920, nog voor het eigenlijke proces, ging hij praten met rechter Joseph Corrigan. De kwestie of iets obsceen was of niet, zo argumenteerde Quinn, moest gemeten worden aan het effect dat het sorteerde. Blooms wederwaardigheden in Nausicaa worden in heel bedekte termen beschreven. Als de jongedame werkelijk zo onschuldig was als ze zich voordeed, zou ze niet het flauwste benul kunnen hebben van wat er gaande was. Dus kon ze er onmogelijk door gecorrumpeerd worden.
Maar er was meer nodig om de rechter te overtuigen. Tijdens het proces probeerde Quinn het met het theoretische argument dat een literair werk van een gereputeerd auteur eenvoudigweg niet obsceen kan zijn, omdat zelfs obscene passages bijdragen tot het morele welzijn van zijn lezers. Maar hij haalde zijn eigen argument onderuit door de reputatie van Joyce te contrasteren met die van Oscar Wilde. Als het werk van Wilde wel corrumpeerde, gaf hij toe dat andere werken dat ook konden.
In zijn verdere betoog concentreerde Quinn zich dan maar op het pragmatische argument. Zijn meest virtuoze tussenkomst kon zelfs de rechters heel even vermaken. Nadat de procureur de bewuste passages in hun volle aanstootgevendheid had voorgelezen en er in een haatdragende redevoering tegen tekeer was gegaan, gebruikte Quinn dit vertoon als het beste bewijs van zijn punt: het effect van de passages op de procureur had niets met wellust te maken, uitsluitend met verontwaardiging en woede.
Maar het haalde niets uit. De redactrices Jane Heap en Maragaret Anderson werden allebei veroordeeld tot een boete van vijftig dollar. Uiteraard impliceerde dit ook het verbod om de resterende hoofdstukken van Ulysses te publiceren. Kort daarna, begin april 1921, liet de uitgever B.W. Huebsch weten dat hij Ulysses niet langer wenste te publiceren, tenzij Joyce enkele aanpassingen aanbracht. Joyce weigerde ook maar iets te schrappen. Dat zou immers betekend hebben dat niet elke passage onontbeerlijk was.
Na het proces, in de zomer en het najaar van 1921, ondernam Joyce enkele stappen om zijn werk minder kwetsbaar te maken voor censuur. Hij onderwierp vooral de eerste hoofdstukken van zijn roman aan een bijzonder grondige revisie, terwijl hij intussen aan de laatste twee hoofdstukken werkte. De wijzigingen die hij aanbracht, moesten vooral de eenheid van het werk benadrukken door middel van terugkerende motieven en de parallellen met de Odyssee van Homeros. Bovendien stelde hij enkele schema's op die de coherentie van de romanstructuur verduidelijken.
Uiteindelijk verscheen het boek in februari 1922 bij Shakespeare & Company in Parijs. Het werd meteen uit bijna alle Engelstalige landen gebannen. Maurice Darantière drukte daarna nog tweeduizend exemplaren die John Rodker in Parijs voor de Egoist Press uitgaf. Bijna een vierde van deze beperkte oplage werd onderschept door de Post Office in New York; van de tweede oplage van de Egoist Press werden alle vijfhonderd exemplaren op één na in beslag genomen.
De situatie bleef tien jaar ongewijzigd, tot de advocaat Morris Ernst (van Wolff, Greenbaum & Ernst) in 1931 vernam dat Joyce nog steeds naar een Amerikaanse uitgever zocht. Ernst zag een ophefmakend proces wel zitten en vond Bennett Cerf van uitgeverij Random House bereid om een exemplaar van Ulysses vanuit Frankrijk naar New York te laten verschepen, het met opzet in beslag te laten nemen, en de beslagname vervolgens aan te vechten.
Ernst had niet alleen het voordeel dat hij de publicatie van het boek in zijn geheel kon verdedigen, hij had bovendien instructies gegeven om in het verscheepte exemplaar van Ulysses een aantal recensies van vooraanstaande critici te kleven. Omdat dit het enige bewijsstuk op het proces was, zouden de recensies op die manier, vanuit juridisch standpunt, integraal deel uitmaken van het boek en dus ook als bewijsmateriaal gebruikt kunnen worden.
Dit was belangrijk voor de verdediging omdat Ernst in tegenstelling tot Quinn niet zozeer vanuit een pragmatisch maar vanuit een esthetisch standpunt wilde argumenteren. Daarvoor wees hij enerzijds op de intrinsieke eigenschappen van Ulysses, met name stijl en structuur. Ernst redeneerde als volgt: een werk kan alleen obsceen zijn als het corrumpeert; een absolute voorwaarde is dan uiteraard dat het begrepen kan worden. "De vunzigste obsceniteit in het Chinees is onschadelijk voor wie de taal niet kent. Als de stijl van een auteur onbegrijpelijk is voor iedereen behalve de betrekkelijk weinigen die toch immuun zijn voor wat de censor de suggestieve kracht van woorden noemt, kan van het werk niet gezegd worden dat het obsceen is."
Daarnaast maakte Ernst handig gebruik van de gezagsargumenten uit de ingekleefde recensies om de extrinsieke eigenschappen van het werk te benadrukken. Als vooraanstaande critici vinden dat het hier om een 'klassiek werk', een werk van buitengewone literaire verdienste gaat, dan impliceert dat volgens Ernst automatisch dat het niet obsceen kan zijn: "pornografie heeft geen plaats in de rekken van achtenswaardige bibliotheken."
Als het aan redactrice Anderson gelegen had, zou ze de verdediging tien jaar voordien al op die manier hebben aangepakt. Volgens haar kon de kwestie gewoonweg niet ter discussie staan; het kunstwerk heeft geen morele implicaties. De uiterste consequentie van dit uitgangspunt is echter niet zonder belang. Het reduceert de kunst tot een vrijblijvend tijdverdrijf. Volgens de verdediging van Ernst was het "zeer de vraag of mensen beïnvloed worden door wat ze lezen." Vanuit het standpunt van de advocaat en de redactrice hield dat uiteraard ook de onuitgesproken slotsom in: laat die Joyce toch zijn ding doen, het schaadt niemand en we zijn er (financieel) allemaal bij gebaat.
In zekere zin gold dat ook voor de rechter, John Woolsey. Op 6 december 1933 oordeelde hij dat het boek niet langer obsceen was (in de juridische betekenis van het woord: "de seksuele driften stimulerend of aanleiding gevend tot seksueel onzuivere en wellustige gedachten"). Morris Ernst had het geluk voor een rechter te staan die oren had naar het esthetische argument. In een verklaring van vijf bladzijden, de zogenaamde Woolsey Decision, die nog jaren in verscheidene Ulyssesuitgaven werd afgedrukt, zette de rechter uiteen waarom hij van oordeel was dat Ulysses niet langer gecensureerd hoefde te worden.
De verklaring van Woolsey is onder te verdelen in vier punten. Bij de beoordeling van een werk moet de rechter of de criticus 1. "satellietwerken" consulteren (daarmee bevestigde hij de extrinsieke aspecten die Ernst al had benadrukt door middel van de ingeplakte recensies); 2. rekening houden met de intentie van de auteur (Woolsey verklaart dat hij nergens "de verlekkerde blik van de wellusteling" in Ulysses ontwaart en dat het daarom uitsluitend met artistieke, geenszins met pornografische intenties geschreven is); 3. het werk in zijn geheel beoordelen (wat Ernst bepleitte) en tenslotte 4. de uitwerking ervan op de gemiddelde mens ("a person with average sex instincts") in aanmerking nemen.
Het vreemde is dat Joyce de rechter onrechtstreeks, via de esthetische opvattingen van zijn personage Stephen Dedalus, de krachtlijnen van deze verklaring heeft ingefluisterd. Alles draait immers om de kinetische uitwerking van literatuur en in dat verband had Stephen al in A Portrait of the Artist as a Young Man verklaard dat "de gevoelens die door onechte kunst worden opgewekt kinetisch zijn: begeerte en afschuw". Kunst is, volgens de definitie van Stephen, "de ordening door de mens van het waarneembare of begrijpelijke voor esthetische doeleinden". Volgens hem zijn het ware en het schone verwant. Ze hebben niets met kinesis te maken, maar brengen alleen een "stasis van de geest" tot stand.
In hoeverre de opvattingen van Joyce overeenstemden met die van zijn personage is niet met zekerheid te zeggen. Uiteraard stond het de rechter vrij om naar de esthetische principes uit A Portrait te verwijzen ook al zijn die wellicht niet identiek met die van Joyce; maar dat is niet in overeenstemming met de premissen van zijn eigen betoog. Hij stelt immers dat de rechter rekening moet houden met de intenties van de auteur. Wat Woolsey beweert over de artistieke, niet-pornografische intenties van Joyce is pure conjectuur. Zijn vermoeden is enerzijds gebaseerd op het uitgangspunt dat niet alleen het werk maar ook het hele oeuvre als een coherent geheel moet worden beschouwd (zodat A Portrait iets kan zeggen over Ulysses) en anderzijds gestoeld op zijn lectuur van "satellietwerken".
Een van de satellietwerken die Woolsey raadpleegde, was James Joyce's 'Ulysses' van Stuart Gilbert. Joyce had Gilbert alle nodige medewerking verleend bij het schrijven van dit boek, dat in grote mate was opgevat als een verdediging tegen de aantijgingen. Het is onder meer via dit boek dat Woolsey's aandacht werd gevestigd op de esthetische uiteenzettingen in A Portrait. "Het kan niet voldoende benadrukt worden," schrijft Gilbert in zijn introductie, "dat het de bedoeling was van de auteur van Ulysses om een esthetisch beeld van de wereld te presenteren."
Dat Woolsey met dit standpunt rekening hield, was niet onbelangrijk vanuit juridisch perspectief. Het was nog niet vaak voorgekomen dat een esthetisch in plaats van een moreel argument aan de basis lag van het oordeel in een censuurzaak (Vanderham 129). Maar tegelijk impliceert of bevestigt dit esthetische standpunt ook de machteloosheid van kunst. De meest cynische visie op de beslissing van Woolsey is dat ze meer met politiek toeval en morele conjunctuur te maken had dan met Ulysses. De uitspraak was in belangrijke mate een openlijke veroordeling van de openbare boekverbrandingen in Duitsland. Het kwam de hypocriete staten van Amerika goed uit om de wereld te kunnen tonen hoe breeddenkend ze wel waren, terwijl ze intussen zelf gewoon doorgingen met het verbranden van "obscene" literatuur. Zo is er een foto bewaard waarop de secretaris van de Society for the Suppression of Vice aan het werk is tijdens een officiële boekverbranding in 1935 in New York.
Van andere kanten
Het uitgangspunt dat kunst de wereld niet kan redden was in zekere zin de redding van Ulysses. Maar de vraag is ook of deze welgemeende verdediging, los van het effect op korte termijn (het winnen van het proces), het werk van Joyce wel recht doet. De stasis waar Ernst en Woolsey voor pleitten, was gebaseerd op het esthetische standpunt van Stephen, maar in Ulysses bood Joyce naast dit perspectief nog dat van Molly en Leopold Bloom, de homo empathicus bij uitstek. Bloom mag dan een vieze gluurder zijn, hij heeft ook altijd oog voor anderen. Als literatuur enige maatschappelijke relevantie heeft, dan ligt die volgens Ian McEwan in de empathie, de belangrijkste eigenschap om ruzies te vermijden en oorlogen te voorkomen. Liever een boek dat wel prikkelt dan een dat je koud laat. Ulysses stimuleert niet alleen de seksuele impulsen, maar vooral ook het vermogen om het standpunt van een ander in te nemen en de zaken van daaruit te bekijken.
Een belangrijk motief in Ulysses is het begrip 'parallax'. Bloom kent het uit een van de boeken op zijn boekenplank: The Story of the Heavens van de astronoom Sir Robert Ball. Daarin wordt 'parallax' uitgelegd aan de hand van een simpel testje: kijk met je linkeroog naar een voorwerp, doe vervolgens hetzelfde met je rechteroog en de positie van het voorwerp ten opzichte van de achtergrond zal schijnbaar veranderd zijn; die schijnbare verplaatsing heet 'parallax' (The Story of the Heavens 151). De hele censuurkwestie is een vergelijkbaar spel van standpunten. Vanuit het ene oogpunt heeft het boek geen enkele invloed op zijn lezers; met het andere oog bekeken heeft het wel degelijk invloed en wordt het daarom gecensureerd. Alleen al de schijnbare positieverandering kan ervoor zorgen dat het boek uiteindelijk uitgeroepen wordt tot het beste van de eeuw. Dat is de parallax van Ulysses.
Het voorwerp waar Stephen en Bloom in Ulysses op een verschillende manier tegenaan kijken, is de werkelijkheid. Stephen verzet zich ertegen, construeert een hoogdravende esthetische theorie over geestelijke stasis en zet zich (en de kunst) daarmee min of meer buitenspel. Bloom speelt het spel mee, past zich aan de steeds veranderende, contingente tijdsomstandigheden aan. Zijn standpunt is dat je altijd een ander standpunt moet kunnen innemen. Hij is net als Horacio Oliveira uit Cortazars Rayuela nergens thuis, noch aan die kant, noch aan deze. Tussen de geestelijke stasis van Stephen en de kinetische effecten van Molly probeert hij zijn parcours af te leggen door in te spelen op het toeval.
De vraag is wat de grootste fictie is, de literaire of de juridische, de illusie die zich als dusdanig presenteert, of de illusie dat het belangrijk is te weten of een werk obsceen is of niet. Die kwestie wordt niet bepaald door essentialistische principes maar door de tijdsomstandigheden. De hemel is net zo uitwisbaar is als de rest van het hinkelspel, een krijttekening op de stoep. Daarom concentreerde Joyce zich op de contingentie van de verschijnselen. In plaats van te zoeken naar een of ander Ding an sich dat dan toch weer ingelijfd wordt in het fenomenale schouwspel, besloot hij om zelf zoveel mogelijk te recupereren. Hij haalde zijn voordeel uit de censuur, niet alleen als perfecte reclamecampagne voor Ulysses, maar ook als stimulans om naar nieuwe, minder vrijblijvende vormen van expressie te zoeken.
De bezorgdheid om de kwetsbaarheid van zijn werk voor censuur heeft mogelijk bijgedragen tot nog verregaandere camouflagestrategieën. Na de grondige revisie van Ulysses begon Joyce aan zijn Work in Progress, dat zeventien jaar later, in 1939, gepubliceerd zou worden onder de titel Finnegans Wake. De plot van dit zogenaamd onleesbare boek is in wezen een variatie op het thema van het Nausicaa-hoofdstuk: volgens de geruchten moet er iets geweest zijn tussen het hoofdpersonage HCE en twee meisjes in Phoenix Park, Dublin. Wat er precies gebeurd is, wordt nooit duidelijk. Hoe meer roddels de ronde doen, hoe verdachter HCE wordt. Maar misschien heeft hij alleen maar wat gegluurd en hebben de meisjes het min of meer uitgelokt.
In tegenstelling tot the Nausicaa-hoofdstuk heeft Finnegans Wake blijkbaar nooit officieel aanstoot gegeven. Nochtans vangt de lezer in dit boek heel wat meer op dan een glimp van een blauwe onderbroek. Zo gaan de twee zoons van HCE op onderzoek naar de "origin of species" onder de rokken van hun moeder. Elders wordt een van hen als incarnatie van de zon omcirkeld door een stel meiden, de "flower girls", die net als alle bloemen met hun genitaliën staan te pronken: "their flowerheads ... and the tot of all the tits of their undersamens is as open as he can posably she and is tournesoled straightcut or sidewaist, accourdant to the coursets of things feminite, towooerds him in heliolatry, so they may catchcup in their calyzettes ... those parryshoots from his muscalon pistil" (FW 236.33-237.03).
Opnieuw een variatie op het Nausicaa-thema, en alweer is het niet Odysseus die naakt aanspoelt, maar zijn de rollen omgedraaid. Het is merkwaardig dat de censuur geen bezwaar had tegen Finnegans Wake en ook niet tegen de voorpublicaties gedurende de jaren twintig en dertig. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat Joyce na de veroordeling in 1921 op zoek ging naar manieren om de naaktheid van zijn "feminine fiction, stanger than the facts" (FW 109.32) met tekst te bedekken.
Geleidelijk aan voegde Joyce er materiaal aan toe en vervormde hij de woorden. Naarmate het project vorderde werd de tekst steeds ondoorzichtiger. Hoe verhullender het taalgebruik, hoe meer het de indruk wekt dat er iets te onthullen valt. Joyce thematiseert dit gegeven wanneer hij in Finnegans Wake een brief beschrijft en daarbij het belang van de enveloppe benadrukt. Die wordt meestal achteloos opengescheurd om meteen de inhoud te kunnen lezen. Dit soort ongeduld is volgens Joyce even laakbaar als geïntroduceerd worden aan een vrouw en haar meteen ontkleden: "Yet to concentrate solely on the literal sense or even the psychological content of any document to the sore neglect of the enveloping facts themselves circumstantiating it is just as hurtful to sound sense ... as were some fellow in the act of perhaps getting an intro ... to a lady ... straightaway to run off and vision her plump and plain in her natural altogether" (FW 109.12-20).
Aan de directe benadering had ook Leopold Bloom geen boodschap. Hij kende het belang van het medium maar al te goed. Meteen na het middellange-afstandsavontuur met Gerty maakt hij de bedenking: "Haar zien zoals ze is zou alles bederven" (392). Joyce heeft altijd zijn voordeel weten te halen uit de tegenkanting tegen zijn werk. Dankzij de censuur vond hij een nieuwe taalvorm om Finnegans Wake als een verbaal universum te laten uitdijen. En intussen werd Ulysses er alleen maar aantrekkelijker door. Hoe meer de censuur probeerde om het boek aan het oog te onttrekken, hoe prikkelender de inhoud werd, volgens het principe van Bloom: "Het is de lingerie de het 'm doet" (390). De censuur paste de fictie van Joyce als gegoten.
Geciteerde literatuur:
Robert S. Ball, The Story of the Heavens, Londen: Cassell, 1892.
Stuart Gilbert, James Joyce's 'Ulysses', New York: Vintage Books, 1955.
James Joyce, Ulysses, vert. Paul Claes en Mon Nys, Amsterdam: Bezige Bij, 1994.
James Joyce, Finnegans Wake, Londen: Faber and Faber, 1975.
Paul Vanderham, James Joyce and Censorship, Londen: MacMillan, 1998.
Top 100 Random House: http://www.randomhouse.com/modernlibrary/100best/novels.html