Voorjaar 2000
Activiteiten
De Gnantwerp Gazette begint met dit nummer de derde jaargang. We hebben ook in het voorbije jaar niet stilgezeten. Hoewel de editie van de Finnegans Wake Notebooks wat vertraging heeft opgelopen, is net deze week de finale versie van het eerste notebook afgewerkt. VI.B.10, zoals dit notitieboekje door de specialisten in de wandeling wordt genoemd, is niet alleen het eerste werkboek dat Joyce gebruikte toen hij na Ulysses aan een volgende boek begon te denken, het is daardoor ook een cruciaal document voor wie de vroegste geschiedenis van de belangrijkste avant-garde roman van deze eeuw wil schrijven (in het Joyce centrum vieren we pas in december het einde van de twintigste eeuw).
Deze eerste transcriptie en annotatie van een Finnegans Wake werkboek in een kwart-eeuw, heeft heel wat meer tijd gekost dan oorspronkelijk gedacht, omdat Daniel Ferrer, Vincent Deane en ikzelf tegelijkertijd ook de grondslag wilden leggen voor de editoriale conventies in de papieren en de elektronische editie van alle andere werkboeken die nu op stapel staat. De nieuwe editie wordt voor het eerst voorgesteld op het Internationaal James Joyce Symposium in Londen op het einde van juni dit jaar. Liesbeth Van Gool zal ons in dit project bijstaan.
Nog trotser dan op deze toch wel belangrijke verwezenlijking, zijn we op de twee excellente doctoraten die vorig kalenderjaar verdedigd werden. Inge Landuyt kreeg een grootste onderscheiding voor haar gedetailleerde studie van drie Finnegans Wake werkboeken, en Dirk Van Hulle verdedigde met evenveel succes een vergelijkend onderzoek van de editoriale tradities in verband met het late werk van Marcel Proust, Thomas Mann en James Joyce.
Geert Lernout kreeg van het FWO een wetenschappelijke opdracht om tijdens het academiejaar 1999-2000 na te gaan op welke manieren "derden" actief hebben deelgenomen aan het schrijven van Finnegans Wake. Daartoe deed hij onderzoek aan het Harry Ransom Center van de Universiteit van Texas in Austin in oktober (met de hulp van een Mellon Fellowship van deze universiteit), aan de National Library in Dublin in december, in de Poetry / Rare Book Library van de University of New York in Buffalo in februari, in de Houghton Library in Harvard en de Beinecke Library in Yale in maart.
Naast deze twee grote projecten, zijn we ook begonnen aan een nieuw initiatief. In samenwerking met de School of Advanced Study van de University of London, geven we binnen twee jaar een boek uit over de receptie van het werk van Joyce in de Europese literaturen. Tijdens het Internationaal Symposium in London zijn twee panels aan dit onderwerp gewijd en in januari 2001 organiseren we over dit onderwerp een conferentie in Antwerpen. Medewerkers uit alle Europese landen zullen tegen het einde van het jaar bijdragen binnenleveren die dan nog eens een jaar later bij de Londense uitgeverij Athlone Press in één dik boekdeel zullen verschijnen. Nog eens vijf jaar later verschijnt een elektronische data-base met uitgebreide artikelen en een volledige bibliografie van alle secundaire literatuur over Joyce en alle door Joyce geïnspireerde romans, gedichten en toneelstukken.
Daarnaast lopen kleinere projecten
rustig verder en nemen we deel aan conferenties, schrijven artikelen voor
zowel gespecialiseerde als algemene tijdschriften, wat mag blijken uit
het bijgevoegde activiteitenverslag.
Geert Lernout
OVERZICHT ACTIVITEITEN 1999
Presentaties op congressen en lezingen:
Dirk Van Hulle. "The Wake's Progress: Toward a Genetic Edition" (STS [Society for Textual Scholarship] Conference, 14-17 Apr. 1999, New York [City University New York CUNY)/Fordham University])
Dirk Van Hulle. "The Art of Not Being Rude: The Encyclopedic Recycling of Wyndham Lewis's Early Joyce Criticism" (XXe colloque James Joyce: "Cashcash caracktericksticks": Joycean Economics, 14-15 May 1999, Sorbonne / École Normale Supérieure, Paris)
Dirk Van Hulle. "A Genetic Approach to the Project of Modernism" ("Modernism: a Project"- international workshop, UIA, 25 mei 1999)
Dirk Van Hulle. "Hypertext and the Encyclopaedic
Novel: Joyce's Finnegans Wake and Mann's
Doktor Faustus"
(Digital Recources in the Humanities [DRH 99], King's College London, 12-15
sept. 1999)
Artikels:
Inge Landuyt. "Tale Told of Shem." In European Joyce Studies 9: Genitricksling Joyce, ed. Sam Slote en Wim Van Mierlo. Amsterdam: Rodopi, 1999 p. 115-134.
Geert Lernout. "Wandelen op de wijze van Leopold Bloom," De Morgen 16 juni 1999.
Dirk Van Hulle. "Reveiling the Ouragan of Spaces in Less Than a Schoppinhour." European Joyce Studies 9: Genitricksling Joyce. Eds. Sam Slote and Wim Van Mierlo. Amsterdam: Rodopi, 1999. 227-244.
Dirk Van Hulle. "Beckett - Mauthner - Zimmer - Joyce." Joyce Studies Annual 1999. Ed. Thomas F. Staley. Austin: University of Texas Press, 1999. 143-183.
Dirk Van Hulle. "Kwadratuur van de encyclopedische roman." YANG 35.3 (sept. 1999): 315-324.
Dirk Van Hulle. "Beckett, Proust en Joyce: Becketts
vroegste proza." Streven 66.7 (juli-augustus 1999): 579-590.
Vertaling:
Dirk Van Hulle. Paul Claes, "De Bloomiade." Schreibheft:
Zeitschrift für Literatur 53 (1999): 3-32.
Recensies:
Geert Lernout. Daniel Ferrer and Claude Jacquet,
eds, Writing its Own Runes For Ever: Essais de génétique
joycienne. In James Joyce Literary Supplement.
Projecten
The Red-Backed Notebook
Een van de projecten waaraan het Joyce Centrum op dit moment werkt, is de transcriptie en editie van het zogenaamde 'red-backed notebook'. Dit is in vele opzichten een merkwaardig document. Het voorbereidende materiaal voor Finnegans Wake is onder te verdelen in twee soorten manuscripten, enerzijds de notitieboekjes waarin Joyce bepaalde woorden en uitdrukkingen noteerde die hij hoorde of die hij las in geschriften van allerlei aard, anderzijds de schetsen, netschriften, typoscripten en drukproeven, die blokken samenhangende tekst bevatten. Deze laatste zijn meestal op losse bladen bewaard, waardoor de chronologie van de manuscripten moeilijk te reconstrueren is.
Het 'red-backed notebook' is een uitzondering. Het bevat geen losse aantekeningen zoals in de andere notitieboekjes, maar samenhangende tekstversies van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 7 en 8, die vlak na de eerste losse schetsen zijn geschreven (eind 1923-begin 1924). Het is de neerslag van een van de belangrijkste creatieve periodes van Joyces Work in Progress en maakt dan ook deel uit van de permanente manuscriptententoonstelling in het British Museum te Londen. Omdat deze belangrijke teksten gebundeld bewaard zijn, biedt dit schrift de mogelijkheid de chronologie van het schrijfproces veel nauwkeuriger dan op andere documenten te bestuderen en het materiaal overeenkomstig te rangschikken.
Bij de samenstelling van de facsimile-uitgave (James Joyce Archive) heeft men de manuscripten niet gerangschikt in de volgorde waarin ze geschreven zijn maar volgens de narratieve structuur van de uiteindelijke tekst van Finnegans Wake. Zo'n teleologische aanpak kan, door de genese van het werk tegen wijzerszin te bestuderen, de indruk wekken dat Joyce al meteen van bij het begin precies wist waar hij naartoe wilde. Een chronologische benadering daarentegen legt ook de vaak doodlopende zijpaden bloot. Op die manier kunnen de verschillende tekstversies in de context van hun genese geplaatst worden. Een zorgvuldige studie van de manuscripten brengt onder meer aan het licht dat Joyce, toen hij de teksten in het 'red-backed notebook' schreef, in tegenstelling tot wat biograaf Richard Ellmann beweert, nog niet zo'n duidelijk idee had van de uiteindelijke structuur van zijn boek. Bepaalde tekstfragmenten zijn dan ook tijdens een latere fase verplaatst.
De bedoeling van het project is niet alleen een lineaire transcriptie van het 'red-backed notebook' te bezorgen, verbonden met een facsimile van elke afzonderlijke pagina, maar ook de notitieboekjes met losse aantekeningen die Joyce ter voorbereiding samenstelde erbij te betrekken. In de editie van de notebooks wordt de aantekening geciteerd, het paginanummer van het notitieboekje aangegeven en het pagina- en regelnummer waar de passage in de uiteindelijke versie van Finnegans Wake terecht is gekomen. Als het gaat om een passage die uiteindelijk niet gebruikt is, wordt dit eveneens vermeld. Daarnaast wordt ook het volume- en paginanummer van de facsimile-uitgave vermeld, waar de passage voor het eerst in de manuscripten voorkomt, en tenslotte de code die de plaats (hoofdstuk, sectie, versie) van de passage in de algemene narratieve structuur weergeeft. Als de bron is gevonden waarop de aantekening in kwestie gebaseerd is, wordt de relevante passage uit deze bron eveneens geciteerd.
Deze gedigitaliseerde notities zullen
via hyperlinks verbonden worden met de transcriptie van de teksten uit
het 'red-backed notebook'. Door de recente ontwikkelingen op het gebied
van platform-onafhankelijke markup-talen zoals XML, hebben we in overleg
met Edward Vanhoutte beslist om de transcriptie zodanig te coderen dat
ze op verschillende manieren te visualiseren is. Deze codering verloopt
gelijktijdig met de transcriptie, waaraan momenteel gewerkt wordt.
Dirk Van Hulle
tip
XVII International James Joyce Symposium
Het symposium dat de James Joyce Foundation
om de twee jaar organiseert gaat dit jaar door onder de titel Joyce
2000: The Right to Write in Goldsmiths College, University of London.
Voor informatie en registratie kunt
u terecht op dit adres:
Joyce2000,Department of English, Goldsmiths College,
Lewisham Way, New Cross, London SE14 6NW, UK
Tel. +44 (0)20 79197447, Fax +44 (0)20 79197453
e-mail j.joyce@gold.ac.uk
Het academische programma staat nog
niet volledig op punt, maar een voorlopige versie is te vinden op de site
van het symposium:
http://www.gold.ac.uk/joyce2000/
Newslitter CD-ROM
De langverwachte CD-Rom van de 'Finnegans Wake' Newslitter is verschenen. Langverwacht omdat iedereen wel van de Newslitter heeft gehoord en weet dat er een massa informatie in staat, maar bijna niemand de volledige reeks heeft en niemand elke week naar een universiteitsbibliotheek gaat om daar dan maar in de Litters te zoeken.
Jaaaaren geleden, begin jaren zestig, 1962 om precies te zijn, werd het tijdschrift A Wake Newslitter opgericht door Clive Hart en Fritz Senn. Er waren toen nog geen electronische discussielijsten zoals Fwake-L, FW-read, J-Joyce enz. En er bestond een nood aan een soort verzamelpunt, waar iedereen zijn grote en kleine ideeën over Finnegans Wake kwijt kon.
De basisidee achter de oprichting van de Newslitter was de uitwisseling van informatie om te vermijden dat hetzelfde werk telkens weer opnieuw gedaan werd. Als iedereen kan lezen wat iedereen doet, deed, of had gedaan, zou dat het onderzoek alleen maar ten goede komen, meenden de oprichters. Zo werd AWN een schat aan informatie, bijeengebracht door de coryfeeën van de Joyce-wereld, onder meer Adaline Glasheen, Philip Graham, Nathan Halper, Jack Dalton, Ruth Von Phul, James Atherton, en uiteraard Clive Hart en Fritz Senn.
De CD-ROM is opgebouwd zoals de AWN verscheen, eerst de 'old series' gedrukt op stencils in 1962 en 1963, daarna vanaf 1964 de 'new series' B a rato van zes verschijningen per jaar tot december 1980. Het is een mooie uitgave geworden, een eenvoudig groen-wit geheel, een plaatje van Dublin, het logo van de AWN en datzelfde prentje van Dublin nog eens herhaald op het schijfje zelf.
Van een papieren uitgave een echte CD-ROM maken is niet eenvoudig. Daar hebben ze bij "Split Pea Press" iets op gevonden. Ian Gunn, de initiatiefnemer van de hele onderneming, besloot om gebruik te maken van de goodwill van al diegenen die vroegen om een heruitgave van de Litters én van het ruime en belangstellende publiek van de elektronische Joyce-lijsten. De gestencilde en met andere ouderwetse technieken geproduceerde afleveringen van de AWN moesten allemaal opnieuw getypt worden. Scannings en dergelijke waren wel een hulpmiddel, maar het was niet altijd mogelijk om een scanner te gebruiken.
Er was nog een bijkomend probleem: naar heel wat artikels, tabellen en diagrammen in de AWN wordt verwezen in ontelbare boeken, uitgaven, doctoraten en noem maar op, dus de nummering van de afleveringen, de paginering enz. moest zoveel mogelijk behouden worden zodat het opzoeken van citaten uit oudere publicaties mogelijk zou blijven.
Om een idee te geven hoe moeilijk het
wel was om sommige pagina's, en soms zelfs hele afleveringen te schalen
naar het beschikbare A4 formaat van de CR-ROM uitgave is er geen betere
omschrijving dan die van Ian Gunn zelf: "Some pages had to be hit quite
hard with the 'digital' equivalent of a mallet."
Maar hoe hebben ze het nu voor elkaar gekregen, zonder grote kosten, want anders zou de prijs van deze CD-ROM zeker niet zo laag gebleven zijn? Een e-mail naar de FW-lijsten was de oplossing, helpers werden gevraagd en ongeveer 20 vrijwilligers gaven zich op. Fotokopies van de eerste AWN-afleveringen werden naar deze vrijwilligers over heel de wereld verzonden om ze over te typen. Latere Litters werden gescand en deze scannings ter correctie weer over de wereldbol verspreid.
Al dit materiaal werd terug verzameld in Adobe Acrobat Format (PDF= Portable Document Format) en is ook in deze vorm op de CD-ROM terug te vinden. Er werd gekozen om de originele uitgaven zo getrouw mogelijk weer te geven, alleen flagrante foutenn zoals namen van medewerkers die fout gespeld waren en natuurlijk foute FW-referenties, werden zoveel mogelijk veranderd.
Het resultaat is een ver van perfecte CD-ROM. Vrijwilligers-proofreaders laten al wel eens een foutje staan en de fouten die in de oorspronkelijke uitgaven stonden staan er natuurlijk nog in. Maar aangezien iedereen weet dat je steeds je bronnen moet checken, zal wel niemand zich daar druk over maken.
Het is in ieder geval een prestatie die alleen positieve kanten heeft. Iedereen die wil en die er een paar pond voor over heeft, beschikt nu over meer dan twintig jaar Joyce-onderzoek naar Finnegans Wake. Vreemde talen tot het Swahili toe, literatuur, volksgewoonten, sprookjes, en noem maar op zijn er in onderzocht. Al deze waardevolle artikels kunnen een aanzet zijn om verder te gaan, een stap verder te zetten om Finnegans Wake te begrijpen.
De CD-ROM is heel eenvoudig te gebruiken, je kopieert gewoon het hele ding naar je harde schijf, er is een zoekfunctie voorzien waarmee je al de verschillende 'issues' kunt doorzoeken. Het installeren is uitgelegd in een apart help-bestand. Het installeren van de zoekfunctie vraagt even een beetje meer aandacht, maar als zelfs ik het kan, kan iedereen het.
Wat de fouten en foutjes betreft die
zeker nog gevonden zullen worden, ook daaraan is gedacht. Binnen niet al
te lange tijd komt er een website waar de allerlaatste verbeterde Litters
te downloaden zullen zijn. Een procedure voor deze opvolging is in de maak,
maar ik zal jullie in de volgende uitgaven van de
Gnantwerp Gazette
hierover zeker op de hoogte houden.
Liesbeth van Gool
Praktische gegevens:
De CD-ROM kost 25£ of 45$ en is verkrijgbaar via de website van Split Pea Press: http://www.harenet.demon.co.uk/splitpea/awn/index.html
E-mail adres: splitpea@harenet.demon.co.uk
Joyce in het secundair
onderwijs
Ik heb zelf ooit een poging gedaan om een klein stukje van Ulysses te lezen. Een half uurtje later ben ik er mee gestopt. Als ik het er al moeilijk mee heb, wat zouden de leerlingen er dan van begrijpen ?" Dit antwoordde een collega Engels onlangs toen ik hem vroeg of hij wel eens rond Joyce werkt in zijn klassen van het vijfde of zesde jaar technisch. Na verdere rondvraag onder de collega's bleek trouwens dat deze collega - uitgezonderd de directeur die "al twintig jaar van plan is om Ulysses te lezen" - de enige is die bij de naam Joyce spontaan aan James Joyce denkt en niet aan een populaire blonde dame.
Uiteraard is in het technisch onderwijs de kennis van de literatuur van James Joyce minder relevant, maar toen ik enkele leerkrachten van het algemeen secundair onderwijs dezelfde vraag stelde, bleek dat ook humaniora- leerlingen het moeten doen met een terloopse vermelding en situering van de auteur in de tijd. Het werk van Joyce wordt nauwelijks bekeken. Eén leerkracht opperde zelfs dat het toch de bedoeling is dat zij haar leerlingen warm maakt voor het lezen van literaire teksten en dat de werken van Joyce wel eens het omgekeerde effect zouden kunnen hebben. Bijna zestig jaar na zijn dood is Joyce nog steeds niet erg toegankelijk als auteur. Het lezen van zijn werk lijkt voor velen een zware opdracht.
In een poging om al deze vooroordelen de wereld uit te helpen trok ik een week geleden, gewapend met Joyce for beginners van David Norris en Carl Flint, de eerste bladzijde uit Finnegans Wake en de overeenkomstige bladzijden van Joyces kladboekjes naar de klas. Na een korte biografische inleiding liet ik de leerlingen de namen van het gezin van de auteur zoeken in de eerste bladzijde van de Wake. Reactie: "leuk spelletje, maar wie houdt zich daar nu mee bezig? Trouwens, mevrouw, u bent toch lerares Engels … als wij zoiets schrijven trekt u punten af! En waarom staat hier Frans en Latijn?" Beheerst trachtte ik hen bij te brengen waarom Joyce op deze manier met taal omgaat. "Goed, maar wat betekent het dan?"
Het bleek voor de leerlingen belangrijk te zijn om te achterhalen wat de oorspronkelijke boodschap van Joyce was. Tijd dus om zijn notitieboekjes boven te halen en gedetailleerd uit te leggen hoe het schrijfproces in zijn werk is gegaan. Gedurende enkele minuten leken de leerlingen geïnteresseerd te luisteren naar de uitspraken die ik deed over genetische literatuurstudie. Ze waren het er volmondig over eens dat de interpretatie van literaire teksten daarbij gebaat kan zijn. Als ze naar een film gaan kijken weten ze ook graag wat de bedoeling van de regisseur is, welk verhaal hij juist wil vertellen. Een leerling beweert dat dit een extra dimensie geeft aan een film. Vandaar dat hij ook steeds een interview met de filmregisseur leest vooraleer hij 250 frank besteedt aan een ticket.
Op het einde van de les bood ik de
geïnteresseerden aan om Joyce for Beginners te lezen. Twee
leerlingen kwamen naar voor. Eén van hen doet altijd alles om punten
te scoren. Van de andere vergeet ik de naam steeds. Hij heeft nog nooit
een woord tegen me gesproken en zit meestal met tegenzin in de les. Achteraan
in de klas zat iemand te geeuwen, enkele andere leerlingen controleerden
of hun lief misschien een boodschap op hun GSM had achtergelaten, de koffiekoeken
kwamen te voorschijn … Ik moest denken aan wat Nora haar man vroeg in 1904
toen ze hem zag krabbelen in zijn notitieboekjes : "Will all that paper
be wasted ?"
Katrin Van Herbruggen
Trieste
"trieste, ah trieste, ate I my liver"
"je bent een aan de horizon vastgegroeide verschijning; je voeten badend in het verre water; je vage silhouet een dronken herinnering; Melanconia is haar naam; een eindeloze weg van stoutmoedigheid te gaan om neer te liggen aan je voeten; en uiteindelijk valt dan de avond; laatste momenten van een schitterende dag; Bora neemt alles weg en alles verdwijnt in een verleden dat ooit en ergens neergeschreven wordt. en opnieuw en altijd / maar nu met trillende stem / noem ik haar Melanconia"
Pazzi worden ze in het Italiaans genoemd. "Zotten". De stillen zitten op een bank in een parkje, op de bus, in een bar te gapen met open mond in dat verre niets. De luidruchtigen met hun ononderbroken woordenstroom lopen nu eens mompelend dan weer krankzinnig blatend door de straten. De mensen letten er echter niet meer op. Ze zijn het immers al jaren gewoon. Ergens in de jaren tachtig werd een Italiaanse wet goedgekeurd die de opsluiting van geestelijk gehandicapte mensen in gesloten instellingen verbood. Een reusachtig tehuis heeft hier bijgevolg haar deuren wijd open gezet. De bewoners kwamen op straat terecht en daar lopen ze nu nog rond. Waar zijn we? In Triëst.
"They love their country when they are quite sure which country it is."
Om de mentale chaos of de chaotische
mentaliteit van Triëst te begrijpen, moet je haar complexe geschiedenis
een beetje kennen. De Romeinen stichtten de stad Tergeste ("marktstad")
omstreeks de helft van de 1° eeuw na Christus. De Franken liepen er
enige tijd later de boel plat en tot in de 14° eeuw was de stad onder
Venetiaanse voogdij. Vervolgens bereikte Triëst haar hoogtepunt nadat
de stad opgenomen was in het grote Oostenrijkse rijk. Triëst groeide
uit tot een wereldhaven. Een adellijk inwoner, baron Revoltella, financierde
gedeeltelijk het Suez-kanaal (gebouwd tussen 1859 en 1869) om makkelijker
het Nabije en het Verre Oosten te bereiken.
De Grote Oorlog betekende de finale doodsteek voor Triëst. James Joyce, die hier verbleef tussen 1905 en 1915, kon de symptomen van dat naderende einde ervaren. Nationalistische tendenzen die in de tweede helft van de 19° eeuw de kop opstaken resulteerden in wederzijdse doodslag tussen Oostenrijkse patriotten en irredentisten, zoals de Italiaans gezinde nationalisten hier worden genoemd. Het conflict werd complexer toen plaatselijke Joodse handelaars partij kozen voor de irredentisten en tegen de anti-semitische Oostenrijkers, terwijl Oostenrijk op haar beurt binnenkomende Slaven -Triëst ligt tegen de Balkan aan- jobvoordelen gaf en zo hun sympathie won. Bovendien koos de katholieke kerk ook partij voor de Oostenrijkse keizer. De eerste helft van de 20° eeuw is dan ook een verwarrende periode geweest voor de Triestini. Tot 1918 waren zij officieel Oostenrijkers. Vervolgens kregen zij de Italiaanse identiteit totdat op 8 september 1943 de Duitsers de streek in het Derde Rijk opnamen. Tussen 1 mei en 12 juni 1945 bezette Tito de stad waarna geallieerde troepen de leiding overnamen tot 1947. Op 10 februari van datzelfde jaar werd Triëst en omstreken uitgeroepen tot vrije zone die deels onder Britse deels onder Amerikaanse controle stond. Finalmente, op 26 oktober 1954 werd Triëst officieel opnieuw bij Italië gevoegd. Ondertussen, doorheen de eeuwen, hebben allerlei nationaliteiten en godsdiensten zich in deze uithoek van de Adriatische Zee gevestigd. Een synagoge, een Servisch en een Grieks orthodoxe kerk werden toegevoegd aan de vele christelijke kerken die de stad rijk is. Mensen spraken en spreken er Italiaans en het dialetto triestino (wat niet per se hetzelfde is), Duits, Engels, Grieks en een waaier van Balkan-talen. Geen wonder dat Joyce de veeltaligheid van zijn Finnegans Wake hier concipieerde. In Giacomo Joyce, het prozagedicht dat hij in Triëst schreef, slaat hij ironisch de spijker op de kop: "They love their country when they are quite sure which country it is." Is het daarom dat je hier zoveel mensen als verloren ziet rondlopen?
Triste a Trieste
Naast de categorie krankzinnigen zijn er de ouden en de dronkaards. Het maakt van Triëst een trage, afgeleefde stad. Afgezien van enkele duizenden studenten die hier hun ding doen (en die dan uiteindelijk ook hetzij zot hetzij zat zijn), trekken de meeste jongeren weg uit deze stad van vergane glorie. Was Triëst begin deze eeuw nog een bruisende wereldhaven, vandaag heeft een lelijke industrie zich achter de bocht van de landtong teruggetrokken en ligt het oude stadsgedeelte er wat verloren bij. Zeker, op grootse doch melancholische wijze getuigen prachtige Venetiaanse, neo-classicistische en Jugendstil huizen van de rijkdom van weleer. Maar voor ambitieuze jongeren heeft deze eerder conservatieve stad weinig te bieden. Ze trekken er dus weg zodat momenteel zo'n 60% van de ongeveer 230.000 inwoners ouder dan vijftig is.
The Old Man and the Sea
Een alternatief voor emigratie is de drank. Oud en jong zuipt in Triëst. 's Avonds komen ze dan afgezakt naar de kroegen. Hartelijk, filosofisch en niet zonder trots, maar meestal onverstaanbaar vertellen de vecchi, "de ouden", er over hun vroegere levens. Naarmate de avond vordert en het ene glas wijn na het andere wordt geledigd, worden ze stiller en uiteindelijk valt er niets meer te vertellen. Minutenlang zwijgen ze. Dan staan ze op en verdwijnen in de nacht. Soms zie je dan mensen slenteren of zwalpen op de Molo Audace, de "stoutmoedige pier". Deze betonnen pier werd aldus genoemd naar het eerste slagschip dat er aanmeerde op de dag van onafhankelijkheid. Op elk moment -dag en nacht- is er wel iemand die daarop de zee inloopt. Weg van het drukke stadsverkeer dat aan de oever voorbijraast. Weg van de lusteloosheid die de stad in haar greep houdt tijdens zoele zomerdagen, verlangend naar die frisse bries die de stoutmoedige van over zee komt toegewaaid. Een student komt er een boek lezen. Een filosoof komt er de stad vanop een afstand aanschouwen. Een dromer zoekt er de verre horizon, zijn rug gekeerd naar de waanzinnige mensenmassa. Een dronkaard slaapt er zijn roes uit. Een jongen maakt er een foto van zijn lief. Ze glimlacht, maar als ze de blik dan afwendt en haar ogen over de golven naar de einder schieten, wordt ook daar geen antwoord gevonden.
Finalmente
Een triestino is stil en mysterieus.
Bij een eerste ontmoeting voel je een zekere afstand tussen jou en hem.
Als hij je dan een tijdje kent, verandert hij volkomen. Hij is spontaan,
lacht graag. Maar altijd -je weet nooit wanneer- komt het moment waarop
hij plotseling zwijgt. Hij staart in stilte voor zich uit en wie weet waar
zijn gedachten dan dwalen. Zijn hand houdt dat glas rode wijn vast. Dwaze
Italiaanse muziek wedijvert met het kabaal van druk gesticulerende drinkers.
Chaotisch. Flarden dialect. Gelach. Een glas wordt omgestoten en scherven
brengen geluk en de wijn verspreidt zich en begint dan langzaam te druppelen.
Rode druppels op het van peuken vergeven houten aardoppervlak. Dronken
woorden. Hij zwijgt. Melanconia. En ik die er niets van begrepen heb. Buiten
blaast een ijskoude Bora de vespa's tegen de grond.
Sven Peeters
URL Homepage Antwerp James Joyce Center (AJJC):
http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html
Joyce-lijsten
Wie meer wil weten over Joyce en zijn werk, en wie af en toe zijn of haar steentje wil bijdragen tot de studie ervan, kan dit altijd doen op één van de volgende elektronische e-mail lijsten. Er zijn er verschillende, elk met een min of meer eigen gebied.
Bij mijn weten de oudste en meest algemene lijst is FWAKE-L. Deze lijst heeft heel veel leden met een 'zachte' kern van ongeveer 30 mensen die min of meer regelmatig berichten sturen. FWAKE-L gaat over alles wat met Finnegans Wake te maken heeft, zonder onderscheid, oud of nieuw, algemeen of heel specifiek, je kan er daar mee terecht. Er is geen moderator, een computer zorgt voor de verwerking van in- en uitgaande berichten. Om je lid te maken (subscribe) van deze lijst, stuur je een e-mail met de boodschap 'subscribe FWAKE-L [je naam]' naar: LISTSERV@LISTSERV.HEA.IE
Een tweede en belangrijke lijst is de FW-READ lijst. Een langlopend project waarin elke week een andere pagina van Finnegans Wake onder de loep wordt genomen, de ene week met meer gevolg dan de andere. FW-Read is de lijst van Charles Cave; omdat die er geen tijd meer voor heeft, nemen Bob Williams, Dominique Paré en ik het werk van hem over. Aan deze lijst werk ikzelf actief mee, door wekelijks zowel de annotaties van O'Hehir's Gaelic als zijn Classical Lexicon te sturen, ook over eventueel in McHugh vermelde liedjes, kinderspelletjes enz. probeer ik zoveel mogelijk informatie te geven. De annotaties van McHugh worden elke week door een aantal vrijwilligers getypt en naar de lijst gestuurd. Terwijl ik dit schrijf is pagina 192 aan de beurt. Om in te schrijven, zelfde procedure: je stuurt een e-mail zonder onderwerp met het bericht 'subscribe FWREAD' naar: LISTPROC@LISTS.COLORADO.EDU
Dan is er nog FWAKEN-L waar alle 'vondsten' gearchiveerd worden. Stuur een boodschap zonder onderwerp maar met de volgende tekst 'subscribe FWAKEN-L [je naam]' naar:LISTSERV@LISTSERV.HEA.IE
Voor meer algemeen nieuws over Joyce en al zijn werken is er de J-Joyce lijst, waar tot onze grote vreugde Jorn Barger terug opgedoken is en actief aan de lijst deelneemt (j-joyce@lists.utah.edu). Om in te schrijven stuur je het bericht 'subscribe j-joyce [je naam]' naar: listproc@lists.utah.edu
En bij e-groups.com kun je je aanmelden voor een Ulysses-lijst, die nu onder andere ook Finnegans Wake leest, hoofdstuk 5 en tussendoor Dubliners als onderwerp heeft. Het adres waar je je boodschappen naartoe stuurt is niet hetzelfde als het adres waar je je lid maakt maar bij elke inschrijving krijg je de nodige instructies, en als je die volgt kan er niks mislopen. De lijsten zijn ook Spam-beveiligd.
Soms kan het aantal e-mails nogal oplopen;
om jezelf te 'unsubscriben" stuur je de boodschap "unsubscribe" naar hetzelfde
adres als waar je je aangemeld hebt.
Liesbeth van Gool
Lispn!
McHugh has given the word!1
Waarom de muziektheatrale voorstelling Lispn! niet op Finnegans Wake gebaseerd zal zijn.
What would that fargazer seem to seemself?2
Met Finnegans Wake is het zoals met naar India of Afrika reizen. Sommigen vinden er totaal niks aan - "Er marcheert daar niks! Alles is kapot."- en anderen, voor wie er even weinig marcheerde, zijn er voor de rest van hun leven aan verslingerd. Ik behoor dus, als het over Finnegans Wake gaat, tot die tweede groep. Ja, ik heb hem gelezen. Ja, helemaal. Ja, meer dan één keer ook en ja, ik neem hem geregeld nog eens vast. En nee, ik snap hem ook niet, want er marcheert immers niks in, alles is er kapot. En inderdaad, ik ben er stapelzot op.
Nu moet ik meteen toegeven dat mijn hardnekkige liefde voor Finnegans Wake misschien niet zuiver Joyceaans, maar eerder Cageaans van oorsprong is. Ik heb mijn weg tot de laatste, onleesbare Joyce niet gebaand via Dubliners, A Portrait en Ulysses, maar door de literair geïnspireerde werken van de Amerikaanse componist John Cage. Cage was aardig geobsedeerd door Finnegans Wake en het mooiste resultaat daarvan is zijn fameuze 'Roaratorio, an Irish Circus on Finnegans Wake' uit 1979. Het was door Roaratorio, en door de verpletterende indruk die het op mij maakte, dat ik Finnegans Wake zelf ben beginnen lezen en er meteen de grote lol van inzag. Door zijn werk en ideeënwereld had Cage me immers vertrouwd gemaakt met het intense en vreemde genot dat te verkrijgen valt bij dingen die gewoonweg niet dienen om te begrijpen. Dat heeft allemaal veel met de boeddhistisch geïnspireerde levensfilosofie van Cage te maken, maar dit is niet de plek om dat ten volle uit de doeken te doen. In elk geval heeft het er mee voor gezorgd dat Finnegans Wake voor mij als een literaire, linguïstische en klank-muzikale stroom, al even ongelooflijk simpel als onoverzichtelijk complex, een bijzonder genietbaar boek werd en is gebleven.
Die genietbaarheid kreeg een staartje in de nieuwe realisatie van de partituur 'Circus on' van Cage in 'Chauncecleer, a medieval Circus on the Canterbury Tales' die ik vorig jaar in het Toneelhuis heb mogen maken, ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de partituur (en dus ook van Roaratorio) en de 600ste verjaardag van de Tales. Mijn voornaamste beweegreden om de Tales te gebruiken als brontekst was precies de idee dat ze een veertiende-eeuwse pendant vormen van Finnegans Wake. En zo werden de Tales dan, net zoals de Wake, verwerkt tot een performance met tekstflarden, 35 gesuperponeerde stukken live muziek en zo'n 2000 geluiden op multisporentape: een massieve kopmassage ter bevordering van het onbegrijpelijke dagelijkse leven en de bevrijding die precies in de realisatie ervan ligt. 'At maturing daily gloryaims'3, om het met Joyce post-jezuïetisch te zeggen.
Bless mad Hugh!4
De vonk met de Wake bleef vonken, en terwijl Chauncecleer gevormd werd, kreeg ik zin om iets anders te maken met Finnegans Wake zelf. Het opzet was oorspronkelijk, onder hetzelfde motto 'at maturing daily gloryaims, om een soort van heilig theater te maken in de trant van Indisch of Balinees of Japans heilig theater, op basis van de slotmonoloog van Anna Livia, die op de laatste bladzijden van het boek het urbane leven opgeeft en als de rivier Liffey uitmondt in de zilte oneindigheid van de zee. En het project Lispn! leek geboren.
Maar de toestemming verkrijgen om de woorden van Joyce op de planken te gebruiken is, zoals velen al hebben mogen ondervinden, een heikele zaak. Daardoor groeide het opzet in een enigszins andere richting uit, een richting waarin er geen enkel woord van Joyce zelf in het eindresultaat zou te merken zijn, zonder dat in de ervaring van het stuk de oorspronkelijke bedoeling verloren zou gaan. De brontekst die nu aan de grondslag ligt van Lispn! is nu zelfs niet eens meer Finnegans Wake, maar wel het befaamde 'Annotations to Finnegans Wake' van Roland McHugh (revised edition, 1991).
Voor de lezers van de Gazette die hem niet onder hun kopkussen hebben liggen: Annotations is het boek waarin zoveel mogelijk van de verwijzingen, woordspelletjes en dubbele bodems in Finnegans Wake aangeduid en kort verhelderd worden, waarbij de bladspiegel van Annotations precies dezelfde is als die van Finnegans Wake. Op die manier krijg je dus een bijzonder boek waarin een pagina eerder een veld is dan een aantal rijen letters, een veld waarin korte aanduidingen over de beschikbare ruimte verspreid zijn, zo dicht mogelijk bij de plek waar het op de corresponderende pagina in Finnegans Wake over gaat.
Nu is het belangrijk om te benadrukken dat de keuze voor Annotations niet zozeer een noodzakelijk kwaad is om juridische problemen te vermijden. Het is geen truukje om de erven Joyce te omzeilen en het draagt zeker niet de last van een teleurstellende tweede keus. Het is ook absoluut niet de bedoeling om het karakter van McHughs werk in het belachelijke te trekken door een flauwe neo-dadaïstische opgestoken middelvinger naar de voetnotenwereld op te steken. Eigenlijk is de keuze voor Annotations precies een stapje verder in een beweging die met Lispn! sowieso ingegaan werd, een stapje dat helemaal past binnen de Cageaanse grondslag van mijn fascinatie voor Finnegans Wake. Het zo genietbare en regelrecht overdonderende aan Annotations is dat je aan de ene kant duizend keer meer informatie meekrijgt dan wanneer je zonder hulp door Finnegans Wake bladert, en dat dit je leesgenot evenveel keer intensiever maakt, terwijl het je aan de andere kant geen zier helpt om Finnegans Wake te begrijpen! Het leesplezier wordt door McHugh nog het meest vergroot precies door het besef dat in Finnegans Wake het begrip onbelangrijker is dan wat we doorgaans in de literatuur denken te moeten verwachten. Het biedt je zoveel mogelijk materiaal om je nog meer in de details van het boek te verliezen, in plaats van de lezing te 'redden' in een groter of (godbetert!) algemeen overzicht. De redding ligt precies in de vergroting van de 'collideorscopische'5 evaring die de 'chaosmos'6 van de Wake kan betekenen. Zo is Annotations dus evengoed een bondgenoot voor de academisch geïnteresseerde lezer als voor de chaosmonaut die het liefst de stroom induikt zonder reddingsvest. 'The water is fine. Jump in.'7
Een 'heilig' theater op basis van dit 'academisch' boek is daarmee niet meer dan een bevestiging van wat Finnegans Wake, Annotations to 'Finnegans Wake' en ook het woord 'heilig' zouden kunnen betekenen: een suggestie van de inherente onbegrijpelijkheid en oncontroleerbaarheid der dingen, de suggestie dat begrip arbitrair is en hooguit een klein kadertje legt rond een deel van iets dat even oneindig is als de zee waarin Anna Livia in uitmondt.
De bedoeling is nu om McHugh zo te lezen dat het als een partituur kan fungeren voor een voorstelling voor dans, geluid, muziek en tekst, die een 'McHughiaanse' ervaring teweegbrengt zonder - of wat had u gedacht - dat in het eindresultaat heel helder is wat er precies gebeurd is. Ik koos drie delen waarin Anna Livia prominent aanwezig is als bronmateriaal: de Anna Livia Plurabella sectie (McHugh 196-216), de brief van Anna Livia (McHugh 615-619) en de slotmonoloog van Anna Livia (McHugh 619-628). De algemene beweging van de drie delen is er een van (illusoire) begrijpelijkheid (deel 1), over een situatie waarin het mechanisme van lezen en schrijven zo gemanipuleerd wordt dat ze naar een vormelijk theater leidt (deel 2), tot een situatie waarin begrip eerder in de weg staat van de overdracht en plaats moet ruimen voor een zo fysiek mogelijke hier-en-nu-ervaring (deel 3).
Lispn! staat voor een groot deel nog in de steigers. Maar de volgende beschrijving van het verloop toont alvast aan op welke manier deze houding tegenover het boek tot een concrete theatrale realisatie kan leiden.
1. Algemeen beeld: een strijktrio en een zangeres staan achteraan de scène op een rij. Een doek van 2,5 x 7m hangt aan kabels waardoor het diagonaal vooruit of achteruit kan bewegen. Eén, twee of drie danseressen dansen. Een aantal luidsprekers hangt boven de hoofden van het publiek. Als er genoeg geld gevonden wordt staan drie sprekers naast de scene, of ze zijn vooraf opgenomen. (Dat geldt ook voor de muziek). De dans wordt gechoreografeerd door Alexander Baervoets (met wie ik in het verleden twee producties heb meegemaakt), de klank wordt verzorgd door Ward Weis (in Chauncecleer verantwoordelijke voor de klankband).
2. De drie delen (van elk zo'n 20 minuten):
* Deel 1 : (McH 196-216.) Twee danseressen volgen een algemene beweging die verwant is met de loop van Liffey vanaf haar bron tot ergens voor Dublin. Hun specifieke bewegingen worden geleid door de (schamele) aanduidingen die McHugh geeft over de actie in dit deel. Dat betekent grotendeels dat ze beginnen met hun hoofden tegen elkaar8 en dat ze steeds verder uit elkaar gaan tot de ene iets van een steen krijgt en de ander iets van een boom9 en zo tot stilstand komen. Door de luidsprekers klinken 600 opnames van rivieren, chronologisch geschikt door 600 van de meer dan 1000 verwijzingen naar riviernamen in McHugh 196-216 als startpunt voor telkens 1 opname te gebruiken, zodat op deze manier een groeiende stroom van watergeluiden ontstaat. Vertrekkend vanuit één luidspreker en stilaan zich verspreidend over de gehele ruimte. Tegelijkertijd klinkt (live of vooraf opgenomen) een dialoog die bestaat uit fragmenten van de verwijzingen naar (rechteloze) schrijvers, literatuur, liedjes of kinderrijmpjes die in McHugh 196-216 voorkomen, om een (noodzakelijk) absurdistisch tweegesprek te vormen. Dit begint heel kalm, maar wordt steeds luider om boven de watergeluiden te kunnen komen. Ik ben er nog niet uit in welke taal of talen dat moet gebeuren. De muzikanten spelen een programma uit de in McHugh 196-216 vermelde muziek, voornamelijk Ierse volksliederen en licht klassiek materiaal (I dreamt I slept in Marble halls, Herring the King, John Anderson my Joe,…), gearrangeerd voor strijktrio en zangeres. Alsof ze in een restaurant spelen.
* Deel 2 (McH 615-619) is een solo voor een danseres. Zij danst binnen een fel wit belicht rechthoekig vlak (met de verhoudingen van een A-4 blad): een algemene beweging van linksboven naar rechtsonder, maar met de mogelijkheid om af en toe terug te komen op vooraf betreden gebied. De literaire (en andere) citaten uit McHugh 615-619 vormen een tekst, bestaande uit korte en lange fragmenten. Die fragmenten worden voorgelezen door een stem alsof het brieven zijn die diagonaal gelezen worden (schaduwlezen). Die opnames worden elektronisch allemaal even lang gemaakt. Hun chronologie volgt de plaats van verschijnen in McHugh, zodat een tape met variabele snelheden ontstaat, allemaal onduidelijk en af en toe redelijk overlappend. Het volume en de locatie van die geluiden worden bepaald door de bewegingen van de danseres, door een nog nader te bepalen systeem (dit is iets waar Baervoets in uitblinkt). Eén spreker reciteert een keuze uit een lijst met 'lege' woorden (and, or, that…) die in McHugh 615-619 voorkomen, met een maximum van 1 per regel. Die worden lichtjes zangerig uitgesproken alsof ze heel traag geschreven worden. De muzikanten spelen opnieuw de muzikale verwijzingen in McH615-619, maar deze keer spelen ze alles, volgens een systeem van uiteenwaaiering en samentrekking: de vier spelen en zingen het eerste nummer samen, tot het tweede begint en ze zich in twee groepen opdelen en onafhankelijk van elkaar spelen, tot het derde begint en ze weer splitsen, tot het eerste afgelopen is en ze weer samenkomen, enzovoort. Zo worden alle verwijzingen gespeeld door minstens één speler en maximaal vier spelers. Twee of drie keer klinkt een 'geluidbom' door de luidsprekers boven het publiek: korte opnames van zwaar Dublinse 'gossip' opgenomen in pubs in Temple Bar vorige zomer. Die kunnen klinken op momenten die overeenkomen met het verschijnen van 'HCE' - het object van de roddels in dit fragment - in McHugh.
* Deel 3 : slotmonoloog. Hier wordt de taal nog verder uiteengerukt. In deel één was de taal een soort spreektaal, in deel twee werd ze getackeld door een onorthodoxe behandeling van de taal in een lees- en schrijfact, en in deel drie wordt ze volledig klank. Duizend van de voorkomende klanken uit McHugh 619-628 worden opgedeeld volgens hun uitspraak: slisklanken, plofklanken, nasalen en klinkers, en worden zo gerangschikt dat ze een watercyclus vormen, zoals die uitgewerkt wordt in McHugh 619-628. De slisklanken (f, v, s,…) worden lang uitgerekt tot er een vrij dikke slissende stroom gevormd wordt. Dit is water. De klinkers komen in losse clusters voorbij gewaaid als wolken. De nasalen (n, m, ng) verhogen traag in toon, zodat ze als verdampende lucht kunnen fungeren. En de plofklanken (p,t,k,..) komen naar het einde toe samen als regengekletter. Drie danseressen vormen met bladeren de bedding van de Liffey ('leafy') vanaf Dublin tot de monding. Zij reciteren samen met een tape de literaire citaten, soms samen, soms los van elkaar. Van extreem stil gefluister tot onbegrijpelijk luid geroep. De muzikanten spelen weer een programma van de beschikbare verwijzingen, maar spelen alleen de stukken waar die verwijzingen overlappen. Dus steeds stukjes waarin ze allemaal iets anders spelen, als een korte muzikale bom.
Dit is alvast het opzet. Een en ander zal nog georganiseerd moeten worden om dit nu ook concreet te realiseren. Daar wordt op dit moment hard aan gewerkt, en we mikken met Lispn! ergens op het najaar 2001 om uit te komen. Een groot deel van de teksten is geschreven, de pakken papieren met parameters voor de duizenden geluiden zijn klaar, de muziekstukken worden bewerkt, en de ploeg begint zelfs verzameld te geraken. Ik hoop dat we in ons opzet slagen, want ik heb zo'n vermoeden dat Lispn! wel eens heel mooi zou kunnen worden. Wie weet tref ik u daar dan wel.
Tom Hannes
Noten
1: Regel uit het lied 'Follow me up to Carlow' (McHugh 214. 30) en zo gebruikt in Lispn!
2: What would that fargazer…: Finnegans Wake 143.8.
3: At maturing daily gloryaims: Finnegans Wake 279.6.
4: Bless madhugh: Finnegans Wake 322.32.
5: Collideorscape: Finnegans Wake 143.28.
6: Chaosmos: Finnegans Wake 118.21.
7: John Cage, Lecture on Nothing, in: Silence, p.134.
8: McHugh: 196.9: 'their heads hang together over river'.
9: Mchugh: 196.36.
Evenement
DeaDDogsDon'tDance /DjamesDJoyceDead
Op vraag van William Forsythe ging Jan Lauwers de uitdaging aan om een voorstelling te creëren waarbij hun beide gezelschappen met elkaar geconfronteerd werden. Met twee Needcompany-acteurs en elf dansers van het Ballett Frankfurt dompelde hij zich onder in het exuberante universum van de schrijver James Joyce.
Na talloze aanvragen, procedures tot en met rechtstreeks contact met de enige erfgenaam van James Joyce betreffende de auteursrechten, bleef het antwoord onverbiddelijk negatief. Stephen James Joyce was vast besloten dat er met het werk van zijn grootvader niet 'gerotzooid' werd: "My answer with respect to Needcompany is simple, straightforward, unequivocal. It's NO, NON, NIET, NEIN."
Dus? Geen ode aan deze "Meester der
moderne literatuur", geen hommage aan de man die het gewone zocht in het
ongewone, het bijzondere in het banale. Geen citaten uit Ulysses
of The Dead, maar een herinnering aan deze meesterwerken waarin
duisternis verlicht wordt door alledaagse schoonheid. Een voorstelling
over 'de draaglijke lichtheid van het bestaan' door middel van slecht gedrag,
goeie sex, het wrong-time-right-place gevoel en veel humor om de machteloosheid
ten opzichte van het leven te aanvaarden.
Needcompany
Regie, choreografie en scenografie: Jan Lauwers;
Muziek: Dominique Pauwels; Tekst: Jan Lauwers, Viviane De Muynck; Met:
Viviane De Muynck, Carlotta Sagna (Needcompany) en Alan Barnes, Allison
Brown, Francesca Caroti, Dana Caspersen, Timothy Couchman, Stephen Galloway,
Crystal Pite, Tony Rizzi, Jone San Martin, Richard Siegal en Sjoerd Vreugdenhil
(Ballett Frankfurt) Productie: Jan Lauwers & Needcompany, Ballett Frankfurt
& DAS TAT
Definitieve speellijst en data :
De première vond plaats op 12 mei 2000 in DAS TAT in Frankfurt. Andere voorstellingen:
South Bank Centre, Londen: 9, 10 juni 2000
tel : +44 171 960 42 42 website: www.sbc.org.uk
TANZtheater INTERNATIONAL & EXPO 2000, Hannover: 9, 10 september 2000
tel: + 49 511 0 2000
websites: www.tanztheater-international.de; www.expo2000.de
Kaaitheater & Bruxelles/Brussel 2000, Brussel: 22, 23 september 2000
tel: +32 2 201 59 59; websites: http://kaaitheater.vgc.be
www.brussels2000.be
Festival van Vlaanderen & Kunstencentrum Vooruit, Gent: 27, 28, 29 sept.2000
tel : +32 9 267 28 28; websites: www.vooruit.be www.festival-van-vlaanderen.be
Dieppe Scene Nationale & Octobre en Normandie, Dieppe: 2, 3 november 2000
tel: +33 235 82 04 43
Vertaalwerk in
wording
Geluiden uit de wereldliteratuur, deel 1:
'tip' in Finnegans Wake
Finnegans Wake, aflevering 1132. Hoe vordert de vertaling? Graag, zeer graag. We banen ons een weg door de jungle, waar nog nooit een mensenhand een voet heeft gezet. Tenminste niet in onze moedertaal. We zitten midden in het diepste, donkerste, ondoorgrondelijkste gedeelte van de Wake. Deel II. Het Heden. Het Boek der Kinderen. Spelletjes. Lessen. Kinderstemmen. Gedonder in de glazen. En overal worden we achtervolgd door de vreemdste geluiden.
Brom! Brom! Cambrom!
Zijnzijn! Zijnzijn!
A . . . . . . . . . . !
? . . . . . . . . . O!
Toddetemeiermokkelmeretrixwhurawhorascortageezapornakieskaaskeksekuntippatappatupperstrippuputtanach!
Wimwim wimwim.
Bing.
pppfff
gijlgijl! gijlgijl!
keilkeil! keilkeil!
Wiehoe? Odat!
Tip.
[Stil.]
Kongop!
Luister nu. Luister je wel? Dja, dja! Ikom, iglauster! Spoots je ieren uit! Xingu het thams!
Nergens worden zoveel geluiden gemaakt als op de wereld, maar hoe schrijf je ze allemaal op? Wat is bijvoorbeeld het geluid van een bladzijde die wordt omgeslagen? Wat is het geluid van een prop papier? Hoe gaat een deur open en dicht? Wat is het geluid van één hand? Wat is het geluid van iemand die hard nadenkt? Hoe schrijf je een scheet op? Hoe fluit je een deuntje? Wat is tip? Wat is poing? Wat is bam?
In de grote mensenliteratuur hebben we hier nergens een antwoord op gevonden. Schrijvers houden zich meestal alleen bezig met wat het oog ziet, en als ze geluiden reproduceren zijn dat vaak alleen de geluiden die uit de menselijke mond komen. Voor de rest zijn schrijvers gedwongen tot circumambiënte periferisatie als ze een personage iets willen laten horen. Dan moeten ze opschrijven: 'Hij hoorde buiten een vrachtwagen voorbijrijden.' Of: 'De vogel floot in de boom.' Waarmee de aandacht zich daarop richt, heel onrealistisch, alsof er niet van alles tegelijk gebeurt maar vele dingen afzonderlijk en op een rijtje. Nee, dan strips. Daar kan de tekenaar in het plaatje de letters VROEP opschrijven, of in een hoekje een vogel tekenen met een notenbalk erbij. En tegelijkertijd kan er nog veel meer gebeuren op hetzelfde plaatje.
Als we de taal der dingen willen leren spreken moeten we naar de stripwereld toe. Strips hebben conventies voor allerlei geluiden. We pakken er een niet zo willekeurig voorbeeld bij. Dossier Stemkwadrater van Martin Lodewijk. We beginnen op bladzijde twintig waar Hendrik IJzerbroot, alias Agent 327, in het vliegtuig naar Hawaï een boek leest dat ons bekend voorkomt: het is namelijk James Joyce Ulysses. Op die bladzijde komen we al heel wat geluiden en hun transcriptie in de taal der dingen tegen. Een man die hoest: kuch! kuch! kuch! Hij kucht nog steeds als hij aan zijn sigaret trekt: puf! puf! puf! Opvallend is nu al dat de geluiden vaak afgeleid zijn van de woorden die de activiteit benoemen. Dit is een elementaire manier van klanknabootsingen, de vorming van onomatopeeën. Op het laatste plaatje van bladzijde twintig verschijnt de verschrikkelijke sumo-worstelaar Jas-Je, als zijn meester hem laat komen door in zijn handen te klappen: klap klap.
Over naar bladzijde 21. Jas-Je, de verschikkelijke sumo-worstelaar, geeft een demonstratie van zijn kracht: pop (de dop van het bierflesje schiet van de hals); splinter (Jas-Je verbrijzelt het flesje in zijn handen); splasj (het westers bier komt terecht in het glas dat Jas-Je in zijn andere hand gereedhield); plop (de meester ontkurkt een tweede flesje bier in de navel van Jas-je); rinkel (de brandkastenexpert laat van verbazing zijn glas op de grond vallen). Op de laatste twee plaatjes zitten de brandkastenexpert en Jas-je in het volgende vliegtuig, met Hendrik IJzerbroot, die Ulysses kennelijk uitheeft, want hij is in de Pep aan het lezen (nr. 31 van 3 augustus, met een onbekend verhaal van Lucky Luke op de achterkant).
Op bladzijde 22 komen we de volgende geluiden tegen: klang (vergrendeling van de vliegtuigdeur); klets (Agent 327 slaat met een karateslag de revolver van de brandkastenkraker uit diens hand); dof (schop voor de kont van de brandkastenkraker); ritsss (de mouw van Jas-Je scheurt als hij Agent 327 probeert te grijpen); bonk (Jas-Je komt op de vloer van het vliegtuig terecht, dat gevaarlijk gaat schommelen).
Op bladzijde 23 vinden we ramm! (2x: met zijn hand en voet raakt Jas-Je in plaats van Agent 327 het binnenwerk van het vliegtuig); driemaal bonk, eenmaal aiaiaiai (in Japans aandoende lettering), eenmaal poeh (ook Japans-achtig geschreven: de andere uitroepen van Jas-Je zijn geheel Japans en derhalve, behalve door Mikio Fuse, onvertaalbaar en eerder bedoeld als symbool, net zoals het doodshoofd en de bliksemschicht bij scheld- en vloekpartijen) en tenslotte eenmaal woeps (Agent 327 opent de verkeerde deur en springt per ongeluk uit het vliegtuig, wat even later resulteert in een splaash!).
En dit zijn nog maar vier bladzijden. Duidelijk is, dat de dingen een veel grotere woordenschat hebben dan tot nu toe werd aangenomen. Wij zijn eigenlijk pas sinds de uitvinding van de comic strip de taal van de dingen leren ontcijferen. Ook is het een verdienste van de strip dat die taal voor een groot gedeelte internationaal is. Wat we nu nog nodig hebben is een onomatopeïsch stripwoordenboek, van Aaargh! tot Zzzzzz. (Al gaan er geruchten dat Joost Pollmann aan zo'n woordenboek werkt.)
Maar wordt echt alleen in strips de taal der dingen gesproken? Nee, er is één schrijver die dapper weerstand biedt tegen de oppervlakkigheid en het antropocentrisme van de literatuur. Er is één schrijver die ook de taal der dingen spreekt en dat is James Joyce, met zijn legendarische muzikaliteit, zijn slechte ogen maar alleshorende oren. Hij kon dertig jaar nadat hij Ierland had verlaten nog een perfecte imitatie weggeven van de geluiden die je hoorde als je een drukke winkelstraat in Dublin afliep, met alle winkels in de juiste volgorde. Joyce heeft de geluiden hun stem gegeven in de literatuur. Het begint al in Ulysses, waar het miauwen van een poes precies is opgeschreven als mkgnao! en mrkgnao! In het Sirens-hoofdstuk komen als in een muziekstuk alle motieven uit de voorgaande hoofdstukken terug en worden de woorden en de flarden zinnen tot betekenisdragende omgevingsgeluiden. Af en toe horen we de stok van de blinde pianostemmer langskomen Tap. Tap. Tap. Totdat hij de kroeg binnenkomt (tschink, tschunk; er wordt geklonken), dan is het ineens tip. Het hoofdstuk eindigt met het geluid van een fatalistisch-flatulent maar felrealistisch windenlatende Leopold Bloom, beginnend met prrprr, vervolgens fff, oo, rrpr, dan kran, kran, kran en krandlkrankran, dan karaaaaaaa en met pprrpffrrppfff verlaat het gas tenslotte klokklinkend het lichaam.
Hoe belangrijk het is om goede en beeldende woorden te hebben voor geluiden, zelfs smerige, blijkt uit de verwarring die wordt gesticht als een onomatopee niet duidelijk is. In Hamlet (tweede bedrijf, tweede toneel, 385-391) komen we de volgende dialoog tegen:
Polonius: My lord, I have news to tell you.
Hamlet: My lord, I have news to tell you. When Roscius was an actor in Rome--
Polonius: The actors are come hither, my lord.
Hamlet: Buzz, buzz.
Polonius: Upon mine honour--
Hamlet: Then came each actor on his ass.
Buzz buzz wordt in de Arden-editie geglost als 'een uitroep van minachting die iets afdoet als loze roddels of (zoals hier) oud nieuws'. Een soort bla bla dus. Maar Hamlet blijkt een veel botter geluid te maken. Volgens Eric Patridge is buzz de Elizabethaanse conventie (of in elk geval die van Shakespeare) voor de raspberry, het geluid dat de 'anale emissie van wind' nabootst, met andere woorden een mondscheet (niet te verwarren met een boer. Immers: een boer is een scheet die de weg niet weet). Geen wonder dat Polonius zo beledigd is! Het heeft dus niets met het zoemen van een bij of een hommel te maken. Op eigen houtje hadden wij dit nooit achter buzz buzz gezocht, want in ons eigen hedendaags onomatopeïsch woordenboek in uitvoering staat achter de gewone scheet (flatus analis banalis) het geluid poewaap, of ook wel prot prot (als annunciatie van een volgepoept wordende
luier, zie Heinz deel 19, Langs plag en knotwilg, door Windig N. de Jong, blz. 15) en achter mondscheet prllprlp. Overigens kenden zowel de Romeinen als de Egyptenaren een god voor de buikwind. De Romeinen noemden hem Crepitus en de Egyptenaren Le Pet (spr. uit Le Pwèèt), waarvan het Franse péter zal zijn afgeleid (zie Gipson Arnold's bespreking 'Toilet Etiquette of the Gods' in de Atheist Articles op http://www.hti.net/www/atheism/t_toilet.html). Maar dit alles terzijde.
In Finnegans Wake gooit Joyce er nog een schepper duimdik bovenop. Hij wil nu werkelijk overal geluid van maken: 'Het overzetten van wat je ziet naar wat je hoort is de essentie van de kunst, die zich immers alleen bekommert om het te bereiken effect,' kreeg Jacques Mercanton te horen. En om het te bewijzen haalde Joyce beschrijvingen aan van Flaubert en Walter Scott die zo slecht liepen dat de lezer uiteindelijk niets meer voor zich zag.
Joyce laat stromend water weer hierenginderend als stromend water spreken, vogels als vogels, insecten als insecten, bier als bier en donder als donder. Al het kraken, ruisen, breken, ruziën, schreeuwen, barsten, fluiten, knarsen, gorgelen wordt bevrijd uit hun dienstbare rol en wordt opgenomen in de taalschat om het onbenoemde te benoemen. Tip. Vrije geluiden. 'Het onuitsprekelijke bestaat niet', had Gautier al gezegd. En tegen Jan Parandowski zei Joyce: 'Met deze hutspot van geluiden bouw ik de grote mythe van het leven van alledag.'
Maar hoe? Hoe gaat het in zijn werk precies? Hoe maakt hij van Finnegans Wake één grote onomatopee? Zie de geluiden boven, die allemaal uit FW zijn gelicht. Het procédé staat onder de ongelukkige naam bekend van woordspeling, calembour, pun. In den beginne was de woordspeling en de woordspeling werd vlees. Maar het zijn geen woordspelingen waar je pas om hoeft te lachen als je ze snapt. Het zijn geen moppen maar tappen waaruit het koude water komt waarmee de sufgelezen literaire lezer zijn bezwete gezicht opfrist. Tip. Punches zonder line, makertjes in plaats van afmakertjes, geen clous maar klepels. Bimbim bimbim. Pingpong peingpeong. Ring rang.
De klokken die Joyce hele boek door zo welsprekend laat luiden zijn de klokken van het Züricher lentefestival Sechseläuten, als de Bögg, Koning Winter wordt verbrand (op de Bellevueplatz, in de volksmond de Alte Tonhalle-Platz geheten aan de Uto-Quai, of vroeger ook wel op de Bürkliplatz, in 1903 nog, een paar honderd meter verderop - zulke dingen moet je weten als Finnegans Wake-vertalers). Als om zes uur 's avonds de grote brandstapel wordt aangestoken, beginnen alle klokken in de hele stad om het hardst te luiden: Dingen die dongen voor zagzeluidens waar je circumschimmen en scentauren schaûwt. (32.02) Pjingpjong! Met zakkenvolbuiten! (58.24) Pingpong! Dat is de Belle voor Sexaloitez! (213.18)
Welsprekende geluiden dus, die onder het slavenjuk van de onomatopee vandaan zijn gekomen en nu zelf hun mond mogen opendoen. Dat geldt ook voor de donder, verpakt in de tien donderletterwoorden (op bladzijde 3, 23, 44, 90, 113, 257, 314, 332, 414 en 424) en voor het ritme van het kabbelen en klotsen in de duizend rivierennamen van Anna Livia.
Tip.
Op dezelfde manier als de blinde pianotemmer met zijn tok door het Sirens-hoofdtuk in Ulysses tapt, tipt er iets of iemand door Finnegans Wake. Tip. Maar wie of wat, dat zouden wij willen weten. Want het is misschien van invloed op de vertaling. Er is over dit probleem al veel nagedacht, en veel theorieën doen de ronde. Iemand (en over wie dat is, is ook al veel nagedacht en doen al evenveel theorieën de ronde: Burgess, Wilson of een ander, of Joyce geïnspireerd door het begin van Wuthering Heights) is ooit begonnen met te zeggen dat het het geluid is van een tak die tijdens de droom van Earwicker tegen het raam slaat. Dan zou het leuk zijn om het te vertalen met tik, of tic, of nog leuker tak, want ís het geluid van een tak ook niet tak? Met andere woorden, hebben we hier met een loepzuivere onomatopee te maken? De tak die naar zijn geluid gemaakt is? Alleen is het heel onwaarschijnlijk dat Finnegans Wake de droom van Earwicker is. Het boek heeft hooguit de stijl van de droom, de stijl van de nacht. Brr. Tip. Is het het einde van een filmrol die tegen de doordraaiende projector kleppert? Dan zouden de tikken sneller op elkaar moeten volgen. Is het een telegraaf die alles wat we niet begrijpen nog eens in morsetekens overzet? Is het de hik, die als koekoeksei in een ander geluid is terechtgekomen? Is het Joyce zelf die met zijn valse tanden klappert, of met zijn dirigeerstokje tegen de muziekstandaard tikt, of met zijn essehouten wandelstok halfblind door zijn eigen werk waart?
Wat betekent tip eigenlijk? Een tip is een hint. Op welk paard je moet wedden bijvoorbeeld. Finnegans Wake wemelt van de tips hoe je het kan lezen en op welk paard je het snelste door het boek bent. (Throwaway, meer zeggen we niet. Op dit boek staat een waarschuwing en die waarschuwing is: niet lezen maar leven.) Tip is ook een eufemisme voor 'roken', wat in de toneelwereld weer een eufemisme is voor neuken, wat weer een kakofonisme is voor geslachtsgemeenschap hebben, om te zorgen dat de eeuwige kringloop van het zijn of niet-zijn doorgaat, immer doorgaat om nooit meer op te houden. Belangrijker is wellicht dat tip ook een stortplaats voor vuilnis betekent, dus sowieso dé plek om tekenen van beschaving te vinden maar in dit bijzondere geval ook de plek waar de brief die Anna Livia schreef ter verdediging van haar man al klokkend wordt opgegraven door een kip: "De betreffende vogel was Belinda van de Dorans, die sara al gezien had (Terzius prijs en Serni-medaille, Kiepkiepliza's Innternationale Hoendertentoonstelling) en wat zij daar klokke twaalf aan het opscharrelen was zag er ondanks al het gezogzag van deze wereld uit als een vel briefpapier van behoorlijk formaat per transschipt gedateerd in Boston (Mass.) op de laatste van de eerste..." (bladzijde 111)
Tip. Kip.
Een tip is ook een fooi, niet alleen in het Engels maar inmiddels dankzij en leve de taalvervuiling ook in het Nederlands. De suppoost van het Waterloos muzeeruim (Kate, een incarnatie van de kip. En omgekeerd, dat vergeten veel mensen) vraagt na elke interessante mededeling over een tentoongesteld voorwerp om een tip. Toen Joyce in 1926 Waterloo bezocht, kon hij in de Thomas Cook-reisgids voor België en de Ardennen lezen dat de Butte du Lion weliswaar gratis beklommen kan worden, maar dat 'a small gratuity (25 c.) is expected'. De gids en de chauffeur van de touringcar, die door Joyce het hemd van het vege lijf werden gevraagd, zullen ook wel wat tips hebben ontvangen voor hun ruimhartige antwoorden. Joyce stond bekend om zijn hoge fooien, zijn 'overtipping'.
Andere tip-interpretaties verbinden het woord met tipsy en met Tim Finnegan wiens hoofd 'tippling full' was ('peen pochtend fiel Phill zich pimpampompeltje fol', 06.07), of met het omkeerwoord pit (voor kuil en dus letterlijk het tegenovergestelde van de tip als top, zoals nacht het omgekeerde binnenstebuiten achterstevoren van dag is), of met to tip in de zin van tipping over = vallen, omkieperen, waarin we dan het grote valmotief zien terugkeren.
Tip. Hoe meer we erover te weten komen,
hoe moeilijker het wordt te vertalen. Het is maar één woordje.
Drie letters. Maar ze lijken heel Finnegans Wake in de kern te bevatten,
zoals elk woord dat eigenlijk doet. En dat is de grote vernieuwing van
deze techniek. Het is nooit of-of, maar altijd van alles en nog wat, nou
én of. Alles is nog niet genoeg. Door die volgepropte portmanteaukoffers
van woorden kan Joyce de gebeurtenissen even simultaan maken als een striptekenaar
in een plaatje: Finnegans Wake: het eerste stripboek zonder plaatjes.
Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet