Nieuwsbriefvan hetCentrum voor de wetenschappelijke studie
Van het werk van James Joyce
Activiteiten
Alweer de derde Gnantwerp
Gazette en zoals steeds is het drukdrukdruk in het Joyce centrum. De
werkstudenten werken nijverig als altijd aan de transcriptie en controle
van de Finnegans Wake werkboeken, terwijl sommigen van hen ook nog
de tijd vinden om als recensent te debuteren in De Morgen en andere
kwaliteitskranten.
De belangrijkste gebeurtenis
van de voorbije zes maanden was zeker het bijzonder succesvolle internationale
"Genetic Networks" congres dat we in december organiseerden in UFSIA en
het MUHKA. Het gebeurt niet veel dat er op gespecialiseerde literatuurconferenties
deelnemers uit vier verschillende continenten kunnen begroet worden en
nog minder dat die dan allemaal voldaan terug naar huis keren. Meer details
in het verslag door Inge verderop in dit nummer.
In januari trotseerde Geert
de sneeuwstormen in Buffalo om gedurende tien dagen de
Wake notebooks
in het echt te bestuderen, waarop hij dan twee dagen ging ontdooien in
Coral Gables op het Miami J'yce congres. En enkele weken geleden
gaf Dirk een lezing op de jaarlijkse conferentie van de Society for
Textual Scholarship in New York, New York. We hebben ook twee nieuwe
vrijwillige medewerkers: Liesbeth Van Gool, Stichtend Lid en Geestelijke
Leidster van de Finnegans Wake leesgroep in Antwerpen begon aan
een monsterproject. Het is de bedoeling om de Finnegans Wake bronkritiek
te verbinden met die delen van de tekst waarop hij betrekking heeft. Eleanor
McClean uit Ulster beëindigde net een Ph.D. over Joyce
en Rabelais in Queen's University, Belfast, en zij voert deze Rabelais
verwijzingen nu in onze databases in.
De belangrijkste gebeurtenis
in de volgende maanden (met de mogelijke uitzondering van Bloomsdag, zie
ook verder in dit nummer) is het doctoraat van Inge dat ze zal verdedigen
op 4 juni om 14 uur in de promotiezaal van de UIA-aula. "Words in Distress":
A Genetic Investigation into James Joyce's Early Work in Progress is
een lijvige tweeling geworden: één deel van 248 bladzijden
inleiding en een "appendix" van 322 pagina's met volledige transcripties
van de werkboeken VI.B.6, 1 en 16: oftewel de periode tussen begin januari
en half mei van 1923. Dit is de uiterst creatieve periode waarin Joyce
de eerste versies van hoofdstukken 7, 8 van het eerste boek en de eerste
helft van boek III van Finnegans Wake
schreef.
In de vorige twee afleveringen
van de Gnantwerp Gazette deden we erg geheimzinnig over een Groot
Project waarover nog niet kon worden gesproken. De reden voor al die geheimzinnigheid
was dat de contracten nog altijd moesten worden getekend. Helaas is dat
laatste nog altijd het geval maar we kunnen onze trouwe lezers toch moeilijk
aan het lijntje blijven houden: op het einde van dit jaar (of in het begin
van het volgende millennium) komt er een volledige editie van de Finnegans
Wake werkboeken: in eerste instantie in een zeventigtal volumes, later
ook in elektronische vorm. De editie wordt aangemaakt in Parijs, Dublin
en Antwerpen en gedrukt in Turnhout.
Dit wordt niet alleen de culminatie
van een heleboel werk in het verleden, het zal ook een niet onaanzienlijk
aantal spin-off projecten genereren waarvan dat van Liesbeth Van Gool er
slechts één is. Een ander project dat ook in Antwerpen gesitueerd
is, wordt het nagelnieuwe elektronische tijdschrift Genetic Joyce Studies,
waarover wij al eerder berichtten en dat ongeveer samen met het volgende
nummer van de Gnantwerp Gazette virtueel zal verschijnen. [GL]
Colloquia
Genetic Networks,
10-11 december 1998:
De meest geslaagde activiteit van ons Centrum dit werkjaar was ongetwijfeld de organisatie van het congres "Genetic Networks" in december, waarop bijna alle belangrijke vertegenwoordigers van de genetische studie van Joyce' werk aanwezig waren. En dat was ook de bedoeling. Zo kunnen de verspreide krachten gebundeld worden om Joyces notities en kladversies verder met succes te ontginnen. De gemeenschappelijke editie van de Finnegans Wake notitieboekjes door Dublin, Parijs, Buffalo en Antwerpen werd voorgesteld door hoofdredacteur Vincent Deane. Tijdens een ronde-tafelgesprek werden allerlei praktische implicaties besproken. Van een tweede initiatief, een Textual Guide to Finnegans Wake oftewel een handboek waarin een genetische analyse van elk hoofdstuk zal worden voorgesteld, werd een stand van zaken gegeven door Luca Crispi (Buffalo) en Sam Slote (Boston). Dit was een zaak van algemeen belang op deze bijeenkomst, aangezien de meeste deelnemers voor één van de hoofdstukken zorgen. Crispi presenteerde ook één van de vele schatten die de bibliotheek van de universiteit van Buffalo rijk is: Joyces eigen knipselverzameling die duizenden besprekingen van zijn werken bevat, en die na zijn dood via Sylvia Beach in Buffalo terecht kwam. Een nieuwe catalogus op cd-rom zal het mogelijk maken om van deze gegevensbank meer efficiënt gebruik te maken. Mikio Fuse was vanuit Tokyo overgevlogen om zijn genetische mailing list voor te stellen, een andere manier om contacten in het genetische Joycenetwerk te onderhouden.
Verscheidene deelnemers stelden ook concreet werk voor. Antwerpen werd vertegenwoordigd door Dirk Van Hulle en Ingeborg Landuyt, en gedeeltelijk ook door onze ambassadeurs in Miami, Erika Rosiers en Wim Van Mierlo. Zij hadden het respectievelijk over "dead ends" in de evolutie van Finnegans Wake, hoe Joyce informatie i.v.m. het Vaticaan en haar bewoners verwerkte, zijn lectuur van de Deense linguïst Otto Jespersen en de representatie van tekst en geschiedenis in Finnegans Wake. Bill Cadbury en Nathan Tenny (Oregon) presenteerden hun genetische editie van Finnegans Wake-in-progress. Dankzij hypertekst-technieken zal elke fase in de compositie toegankelijk worden voor de student van Joyces tekst. Aida Yared (Nashville) demonstreerde hoe Joyce gebruik maakte de verhalen van duizend-en-één nacht. Finn Fordham (Londen) gaf een zeer persoonlijke interpretatie aan het genetische onderzoek. Joe Schork (Boston) toonde aan dat Joyce ook Gibbons Decline and Fall of the Roman Empire las, en de ironische voetnoten van de auteur ten zeerste wist te appreciëren. Schork drukte zijn appreciatie uit voor het werk dat hier in Antwerpen verzet wordt door zijn donatie aan het Joyce centrum van een door Joyce gesigneerde eerste druk van Finnegans Wake. Katarzyna Bazarnik (Kraków) was een gemotiveerde nieuwkomer, die uit het congres vooral de inspiratie wilde putten om haar eigen onderzoek in een genetische richting verder te zetten.
Het grootste belang van dit
congres was echter dat contacten gelegd werden om inderdaad het genetische
netwerk te onderhouden en zo de meer conventionele Joyce-kritiek op het
belang te wijzen van de verfrisssende inzichten die deze aanpak kan opleveren.
Er werd dan ook al afgesproken dat er beslist een vervolg komt! [IL]
Tips voor Joyce-trips
Er staat weeral een nieuwe zomer voor de deur, die de enthousiasteling naar hartelust kan vullen met allerlei Joyce-geïnspireerde activiteiten:
Wie zich haast kan zich nog inschrijven voor de James Joyce Annual Summerschool die door het Dublinse University College georganiseerd wordt van 11 tot 23 juli 1999. De voormiddagen tijdens deze twee weken worden gevuld met lezingen door bekende critici zoals Fritz Senn, Jacques Aubert, Margot Norris en vele anderen. De namiddagen kan je deelnemen aan workshops rond Joyces werken zelf. Natuurlijk is er ook een overladen sociaal programma, met zowel stadswandelingen, voorstellingen en pubverkenningen als een poëzieavond en een partijtje voetbal. Tussen de twee weken in wordt een trip naar Galway ondernomen. Inlichtingen: Helen Gallagher, Dept. of English, UCD, Belfield, Dublin 4, Ireland.
Van 4 tot 10 juli 1999 wordt voor de derde keer de Italiaanse tegenhanger van de Dublinse summerschool georganiseerd, de Trieste Joyce School. Ook hier worden tijdens de voormiddagen lezingen gegeven door eminente Joyceanen, terwijl de namiddagen voor studie van Ulysses, Finnegans Wake en Joyce' Triestijnse (Triestese? Triestse?) geschriften bestemd zijn. Als publiekstrekker heeft men dit jaar Geert Lernout uitgenodigd, en daarnaast David Norris, Fritz Senn en andere Joyce-critici. Romanciers Bernard MacLaverty en Edna O'Brien zullen eveneens te bewonderen zijn. Ook hier is een overvol sociaal programma voorzien met een bezoek aan een operette, het muziekmuseum, stadsverkenningen, ... Inlichtingen: John McCourt, Dipartimento di Letterature e Civiltà Anglo-Germaniche, Facoltà di Lettere e Filosofia, Via del Lazaretto Vecchio, 8, 34123 Trieste. Links naar de Joyce summerschools vind je op onze homepage.
Ook aan Joyce-congressen is
er geen gebrek: op 14 en 15 mei organiseert het "Centre de Recherche sur
James Joyce" (ITEM) het "XXe colloque James Joyce" met als thema "Cashcash
caracktericksticks": Joycean Economics. Van 14 tot 18 juni kan je ook naar
Charleston voor het symposium "Millennial Joyce." [IL]
Evenementen
Het Groot Beschrijf -
Bloem in Brussel
Twee jaar geleden maakten de literaire spitsbroeders Kamiel Vanhole en Koen Peeters een tweedaagse voetreis door het oude industriële Brussel. Het was een bewogen trip die ook nog eens de roman Bellevue/Schoonzicht opleverde, een verhaal over de nieuwe kunst van het wandelen. In het jaar 2000 ondernemen beide schrijvers opnieuw een tocht doorheen de Belgische hoofdstad maar dit keer nemen ze een aantal collega-auteurs en andere kunstenaars op sleeptouw.
Op Bloomsday 1999, om precies te zijn 16 juni, vragen zij aan een twintigtal binnen- en buitenlandse fotografen, dichters en prozaschrijvers om een stadswandeling te maken. Een zwerftocht door Brussel die op dezelfde leest geschoeid is als de wandeling die Leopold Bloom, hoofdpersonage in Ulysses van James Joyce, doorheen Dublin maakte. De kunstenaars leggen een vooraf bepaald traject af en doorkruisen Brussel van west naar oost, van de verpauperde omgeving van het Lemmensplein naar het rijke westelijke gedeelte van de stad in de buurt van het Schumannplein. Op het parcours liggen volgens de initiatiefnemers niet alleen "toeristische attracties en verborgen parels" maar ook "banaliteit en pracht, commerce en politieke instituties, schaamte en schande, meertaligheid".
Elke deelnemer kiest een deeltraject uit een lijst die hem of haar vooraf wordt toegestuurd. De initiatiefnemers bezorgen hen een mini-dossier met een aantal wetenswaardigheden over het door hen geselecteerde deel van het parcours. Op 16 juni om 9 uur stipt worden alle deelnemers op een vooraf afgesproken plaats verwacht, ze krijgen een stadsplan toegestopt en om kwart voor tien stappen zij op een speciaal voor de gelegenheid ingelegde bus die hen op verschillende locaties dropt. Na afloop van de wandeling wordt aan de deelnemers gevraagd om voor eind oktober 1999 verslag uit te brengen. De poëten vertalen hun impressies in een gedicht, gesitueerd ergens op het traject. De fotografen maken een aantal veelzeggende foto's en de fictieschrijvers noteren hun indrukken in een verhalend prozastuk. Deze laatsten krijgen een heel concrete opdracht: hun verhaal moet handelen over een Bloomachtig ik-personage dat een traject afloopt van een welbepaald punt A naar een punt B.
Alle bijdragen worden achteraf gebundeld in een 240 pagina's tellende tweetalige publicatie die tijdens het Groot Beschrijf, op 30 april 2000, aan het lezerspubliek wordt voorgesteld. Nog voor het boek ter perse gaat wordt aan de inwoners van Brussel gevraagd om een bijdrage te leveren. Zij krijgen de tekst, het gedicht of de foto's die over hun buurt werden gemaakt, toegestuurd en krijgen de mogelijkheid om hun reacties of commentaren op papier te zetten. Een selectie van de verzamelde commentaren wordt in het gedrukte verslag opgenomen.
Bloem in Brussel krijgt ook een "volkse" variant. Geïnteresseerden kunnen tijdens het Groot Beschrijf, op 30 april 2000, met het boek met teksten en gedichten in de hand de stadswandeling maken die de auteurs op 16 juni gemaakt hebben. Op 16 juni 2000 krijgt Bloem in Brussel nog een staart.
Op de genodigdenlijst staan voorlopig alleen Belgische prozaschrijvers. Stefan Hertmans, Josse De Pauw, Eric De Kuyper, Jeroen Olyslaegers, Oscar Van den Boogaard, Kristien Hemmerechts en "les copains de la littérature" Peeters en Vanhole vertegenwoordigen de Nederlandstalige letterenscène. Jacqueline Harpman, Philippe Blasband, Jean-Luc Outers, Alain Berenboom, Jean-Philippe Toussaint, Caroline Lamarche en Xavier Hanotte zijn de representanten van de Frans-Belgische literatuur. De Frans-Russische schrijver Andrei Makine is voorlopig de enige buitenlandse auteur op de gastenlijst. [KV & KP]
Bloem in Brussel is een idee van Kamiel
Vanhole en Koen Peeters. Zij werken ook het concept uit, in nauwe samenwerking
met Paul Buekenhout. De organisatie is geheel in handen van Het Beschrijf.
Het project is geselecteerd door Brussel 2000 als prioritair.
Boekbespreking
Het uiterste noordwesten van Ierland is een ander land, een gebied dat niet echt meer bij Ierland hoort. De streek rond Sligo en Donegal hunkert zichtbaar naar iets anders, keert Europa de rug toe en lijkt te streven naar een soort mid-Atlantisch bestaan, met een eigen taal en eigen gewoontes die nergens in de wereld thuis horen. Het lijkt daarin soms op bepaalde delen van het Baskenland, waar een andere groep oorspronkelijke inwoners van Europa de Kelten en Germanen nog altijd niet vergeven heeft dat ze hun land hebben afgepakt.
Ook voor de meeste Ieren is dit finisterra, het einde van de wereld. Hier gelden andere wetten, hier zijn bloed en familie belangrijker dan justitie of politiek. Dit is de plaats waar tot voor kort piraten woonden, waar moorden nooit opgelost werden, waar je nog liever jaren naar de gevangenis ging dan aan een vertegenwoordiger van het gezag te vertellen wat je had gezien. Hier begint de naam van negen op tien van de dorpen met "Bally," hier werd het langst Iers gesproken, hier werden mensen in het midden van de vorige eeuw uit hun huizen gezet: de ene groep verdween naar Amerika en Australië, de andere zwoer nooit meer in huizen te zullen wonen, en het zijn hun nakomelingen die nog altijd als zigeuners door het land trekken.
Dit is de plaats waar men elke vorm van gezag wantrouwt, waar de vertegenwoordigers van het kerkelijke en burgerlijke gezag alleen getolereerd worden als ze zich verder nergens mee bemoeien. Hier komt de Ier vandaan die aanspoelde op een verlaten eiland waar al eeuwenlang een bloedige burgeroorlog woedde. Hij wordt gevangen genomen door één van de strijdende partijen en men vraagt hem met het mes op de keel aan wiens kant hij staat. De Ier antwoordt: "I'm against the government." En de regering, dat is iedereen die uit Dublin komt. Een vriend van mij, een Dubliner, kocht in de buurt van Sligo een cottage die hij door een plaatselijke klusjesman liet opknappen. Diezelfde man beloofde ook de nodige herstellingen uit te voeren toen een storm een aantal pannen van het dak had geblazen. Toen mijn vriend een week later bij het huisje aankwam, bleek er nog niks gebeurd te zijn. Hij vroeg aan de klusjesman wat er aan de hand was en die zei: "Ja, dat was dus héél gek. Ik had nog maar net vorige week uw dak hersteld en gisteravond is er weer zo'n storm. Blaast die toch wel net dezelfde pannen van uw dak!"
Maar dit land bevindt zich niet alleen op de rand van Europa, het ligt ook letterlijk op de grens tussen de Ierse republiek en Ulster. Hier wonen en werken de terroristen van de IRA tussen de stropers, smokkelaars, EU-fraudeurs en drugshandelaren. Het is hier dat op het einde van de jaren zeventig een jonge vrouw uit Londen aankomt. Amaryllis heeft haar eigen redenen om zich naar de rand van de wereld te begeven als gezelschapsdame bij de oude kasteelheer. Zowel in het kasteel als in het dorp gebeuren allerlei dingen waar men in Londen of Dublin niks van weet. Iedereen heeft wel één of ander geheim, de dokter, de pastoor, de plaatselijke politieman, zelfs de psychotherapeut in Sligo.
Het is de zomer van 1979 en de strijd tussen de IRA en de Britse geheime diensten maakt steeds meer slachtoffers, niet alleen onder de onmiddellijk betrokkenen, maar ook bij toevallige voorbijgangers. Zo wordt in Dublin het bureau van de Ulsterse toeristische dienst opgeblazen. Ian McComb verliest in die aanslag zijn vrouw en kind, voor hem reden genoeg om voor één of andere duistere geheime dienst te gaan werken en op zijn eentje oorlog te gaan voeren tegen de IRA. Ook hij komt in Ballygaerin terecht, net op de plaats waar Lord Mountbatten en zijn familie door de IRA wordt opgeblazen (Iers grapje uit die tijd: hoe wisten ze dat de Mountbatten geen last had van roos? "They couldn't find hisHead and Shoulders").
Het schrijversduo Bleker en Elmendorp heeft een heel ingewikkeld verhaal te vertellen, met veel personages en veel verschillende verhaallijnen die op het einde nagenoeg allemaal hun meestal gruwelijke conclusie vinden. Sommige van deze verhalen zijn wat waarschijnlijker dan andere: het verhaal van de Britse agent McComb is erg spannend maar steunt vooral naar het einde op de meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Maar de roman overleeft zelfs het iets te hoge Rambo-gehalte van de laatste avonturen van McComb en dit heeft alles te maken met de subtiele manier waarop Bleker & Elmendorp gebruik maken van de innerlijke monoloog.
De roman is verdeeld in 107 hoofdstukjes die elk een andere figuur centraal stellen. Daardoor leer je niet alleen de verschillende personages beter kennen, met hun eigen motieven en hun eigen geheimen. Maar je ziet ook soms een zelfde scene vanuit twee verschillende standpunten en zo merk je dat niemand het volledige verhaal in handen heeft. Het is aan de lezer om de verschillende stukjes van de puzzel met elkaar verbinden
Dit is dus niet zomaar een psychologische thriller of avonturenroman en dat blijkt ook al uit het motto dat uit Ulysses van James Joyce komt. Als Amaryllis in het eerste hoofdstuk van de roman met de bus in Ballygaerin aankomt zit ze diezelfde roman te lezen, omdat een onnozel vriendje gezegd heeft dat dit boek haar alles kan leren over Ierland. Dit blijkt niet het geval te zijn: "Een slechtere introductie kon ze zich niet voorstellen; het proza piepte en ruiste als een onzorgvuldig afgestemde radio. De gortdroge nevel van woorden was zo goed als ontoegankelijk en het zat haar dwars dat ze niet kon uitmaken of ze met een dikke pil onzin op schoot zat dan wel met een juweel waar ze geen raad mee wist." Ook de vrouwelijke dokter in het dorp heeft een exemplaar van hetzelfde boek, maar ook zij raakt maar niet verder dan de eerste pagina's. Natuurlijk is Ulysses een slecht boek om iets over Ierland te leren: Joyce zelf had een haat-liefde verhouding met het westen van Ierland waar zijn vrouw vandaan kwam. Zijn werk is Dublins, niet Iers.
Het is dan ook heel leuk om te zien hoe Bleker en Elmendorp voortdurend meestal triviale verwijzingen naar net de eerste bladzijden verwerken, niet alleen van het eerste hoofdstuk van het boek (de eerste gesproken woorden fungeren zelfs als wachtwoord), maar ook naar het eerste hoofdstuk waarin Leopold Bloom optreedt. Als McComb bij de steeds maar Ulysses lezende dokter blijft dineren, dan eten ze niertjes, Blooms lievelingsgerecht. En de laatste woorden van de roman vormen een echo van de laatste woorden van Ulysses.
Maar de belangrijkste invloed van Joyce zit niet in deze kleine ontleningen. Wat Bleker en Elmendorp van de schrijver van Ulysses geleerd hebben is net het effect van een slecht afgestemde radio waarmee Amaryllis de roman van Joyce vergeleek. Zwart Glas wordt verteld vanuit verschillende perspectieven, niet alleen die van de hoofdpersonages maar ook die van nevenpersonages en zelfs die van mensen die maar heel even iets met één van de personages te maken hebben. Er is zelfs een intermezzo waarin we heel veel te weten komen over een meneer die ergens aan de telefoonlijn werkt. We krijgen alles te horen over wat voor een persoon hij is, en zelfs over wat er later nog allemaal met hem en zijn gezin gaat gebeuren. Het enige wat hij met de roman te maken heeft is dat hij aan de telefoonlijn tussen Dublin en Sligo werkt en en dus iets had kunnen horen van een belangrijke boodschap voor McComb, als hij tenminste de moeite had genomen om mee te luisteren.
Dit is een techniek die Bleker
en Elmerdorp bij Joyce geleend hebben. In het tiende hoofdstuk van Ulysses
geeft Joyce negentien korte secties, ongeveer even lang als de hoofdstukjes
in Zwart Glas . Slechts in twee van deze secties komen Stephen en
Bloom, de twee hoofdpersonen van de roman, aan het woord en in de zeventien
andere secties volgen we zeventien min of meer willekeurige Dubliners.
Joyce wilde daarmee laten zien dat zelfs zevenhonderd pagina's over één
dag in één stad een onnauwkeurig beeld opleveren. Ieder van
deze zeventien figuren had als focus van de roman kunnen dienen en in elk
van die gevallen zou dit een heel ander boek opleveren. Het is de kracht
van
Zwart Glas dat de auteurs erin geslaagd zijn om met dezelfde
techniek te vertellen wat er met zoveel verschillende personages in en
om Ballygaerin gebeurde in de zomer van 1979.
Bleker & Elmendorp. Zwart
Glas. Prometheus, Amsterdam, 284 pp. [GL]
Familienieuws
Mijn vader is Geert
Lernout
'Mijn vader is Geert Lernout', het zou de titel kunnen zijn van een biografie of een of ander spectaculair fictie-verhaal, maar hier is er bittere waarheid mee gemoeid. Een vader hebben is op zich al een taak die geduld en begrip vraagt, maar een vader hebben die Geert Lernout heet, daarvan stijgen de dagdagelijkse moeilijkheden op naar ongekende hoogtes. Dingen die voor de meeste mensen met vaders normaal zijn, zoals een opstel schrijven voor school of Germaanse studeren, lokken in mijn geval nieuwe en uitermate ernstige complicaties uit. In beide gevallen voel je de verantwoordelijkheid, die ontstaat uit het feit dat je een vader hebt die Finnegans Wake leest, zwaar op je gemoed drukken. Als je bijvoorbeeld wordt gevraagd om in het begin van het schooljaar een naamfiche te maken met daarop onder andere het beroep van je vader, wat moet ik dan schrijven ? Zoon van een lezer/ schrijver/ professor/ verbeteraar/ onderzoeker/ flauwe moppenverteller? De allerlaatste keer dat dit alles nog eens gebeurde was op de eerste dag van mijn studie Germaanse. Terwijl de vaalgroene muren van de aula langzaam waziger werden zocht ik furieus in mijn herinneringen naar de laatste keer dat ik op het Joyce-centrum was geweest…
Toen ik met de fiets het Universiteitsplein opdraaide, kon ik al zien dat het weeral een drukke dag was op het departement Germaanse. De parkingwachters hadden zelfs de tijd niet om het stof van hun uniformen te vegen en de gouden plaquettes op de linkerborstzak met de initialen AJJC (Antwerp James Joyce Center) hingen vaal en vuil aan het zwarte textiel. De niet aflatende stroom van auto's en limousines reed onrustig, maar traag, de poort binnen, en een chauffeur van een verdachte auto in de buurt van het plein werd door de politie hardhandig aangepakt, maar dat kon je wel begrijpen: de kans op een bomauto werd groter iedere keer er een nieuwe bron voor Finnegans Wake werd gevonden en het belang ervan voor de maatschappij was, zoals je wel begrijpt, onschatbaar. Mijn fiets zette ik vast aan de fietsenstalling en de fietsenjongen gaf me een plastieken muntje met het nummer van mijn staanplaats erop. Voor ik binnen kon waren er eerst de normale formaliteiten: door de metaaldetector lopen, me laten fouilleren, mijn foto werd vergeleken met die van een hele reeks ongewenste personen. Op het computerscherm zag ik flitsen van namen als Ja***s Deri***a en Stephen Jo*ce de rij passeren, maar ik mocht passeren.
De drukte van de inkom contrasteerde enorm met de rust in de hoofdingang; gezellige zeteltjes en lage houten tafeltjes vormden de perfecte omgeving om met een drankje aan de luxueuze bar een hoogstaande conversatie te voeren. Het was een oase van rust vergeleken met de wilde buitenwereld. De roltrap bracht me vlot omhoog en het drie meter hoge standbeeld van de oprichter van dit imperium stond wijs voor zich uit te staren. De secretaresses waren allemaal druk bezet, maar als zoon van de directeur mocht ik die stap van bureaucratie wel overslaan. In zijn ruime bureau was het een hel. Een paar minuten eerder had de telex het nieuws doorgeseind dat een bepaalde zin in Finnegans Wake wel eens een allusie zou kunnen zijn naar het merk suiker dat Joyce voorgeschoteld had gekregen in één of ander restaurant. De telefooncentrale stond roodgloeiend en tientallen medewerkers liepen af en aan. Mijn vaders ernstige blik liet me begrijpen dat het een erg zwaarwichtige zaak was. De Vlaamse premier kreeg even wat muzak te horen, toen bleek dat Jacques Chirac juist had gebeld. Zoals iedereen wilde hij zo snel mogelijk de consequenties horen van het nieuws op het hele Finnegans Wake-onderzoek. Ik verliet het bureau stilletjes en nam de lift, richting 'Pers en communicatie'. Daar, in een eindeloze rij glazen hokjes, zaten journalisten van de grootste kranten op aarde. Japans, Swahili, Spaans en Zweeds vloeiden samen in een grote brij van woorden, waarin ik af en toe woorden als 'Capteen Gaascooker' en 'Saintette Isabelle' kon onderscheiden. Het was een wereldprimeur en de krant die het nieuws als het eerste zou kunnen publiceren zou ongetwijfeld totaal uitverkopen.
Op het einde van de lange gang was er een grote ijzeren deur met een paar gewapende wachten ernaast die steeds op hun hoede leken te zijn. Iedereen die in hun ogen een bedreigende beweging uitvoerde of een onbekend voorwerp in zijn bezit had werd door het bullebakken-team met gespreide benen tegen een muur geworpen. Mijn gezicht kwam hen blijkbaar bekend voor, want de viltstift in mijn hand werd oogluikend toegestaan. Zo wandelde ik door de stalen deuren en de luchtverfrisser streelde koel mijn gezicht, die klimaatregeling was van vitaal belang voor het overleven van de miljoenen boeken in de bibliotheek. Het was de grootste in haar soort en ze was uitermate belangrijk voor de evolutie van de andere departementen. Door middel van de modernste technieken konden de plaatselijke wiskundigen en fysici alle mogelijke informatie uit het Joyce-onderzoek halen. Dit hielp hen niet alleen praktisch erg vooruit, maar de psychologische steun die ze hierdoor kregen liet hen wat minder nutteloos lijken. Een kleine roedel wiskundigen was met verstomming een scherm aan het bekijken, het nieuws in verband met het suiker-zinnetje drong zelfs niet helemaal tot hen allemaal door. Een paar van hen begonnen de gevolgen van de ontdekking al door te rekenen in hun wiskundige stellingen, ze waren door het dolle heen. Een kleine deur achteraan de zaal gaf uit op een kluis met alle 'Gnantwerp'-publicaties, op zichzelf al een bibliotheek waardig.
In die kamer, helemaal achterin, tussen de dozen met nummers die niet meer in de kast pasten, stond een kleine houten tafeltje, met een oude mechanische schrijfmachine erop en een gelijnd stuk papier dat zo was gevouwen dat het rechtop stond en in alcoholstift meldde dat ik me in het Louis Paul Boon Centrum bevond. Eén van de poten van de tafel was zo kort dat 'De Kapellekensbaan' eronder moest worden geschoven om het tafelblad nog een beetje horizontaal te laten staan. De man op de stoel achter de tafel keek me treurig in de ogen terwijl er een traan over zijn wang rolde. Hij moest het Centrum helemaal opdoeken nu het AJJC was overgeschakeld op optische computernetwerken, en er geen papierafval meer was, waarvan hij tot dan toe de achterkant had kunnen gebruiken om zijn bevindingen op te noteren. Ik verliet hem, een gebroken man moet je alleen laten, en terwijl ik de wachtkamer binnenliep van mijn vaders bureau bedacht ik dat het eigenlijk zijn eigen schuld was, hij had maar niet zo'n maatschappelijk onbelangrijk schrijver als Boon moeten kiezen als studie-object.
In de wachtkamer was het nog steeds veel te druk, Umberto Eco, de arme man, zat er duidelijk al veel te lang te wachten op zijn audiëntie, maar hij begreep het zelf ook wel: een man als Geert Lernout heeft belangrijkere dingen te doen dan met Italiaanse schrijvers te praten. Ik besloot dan maar te vertrekken, ik kon enkel in de weg lopen. Bij het buitengaan waren er al heel wat minder moeilijkheden, en al snel reed ik weg onder de zomerse zon. En net op het moment dat ik het hele gebeuren trachtte te analyseren, scheurde er een ambulance het fietspad op en hield halt op nog geen meter van mijn voorwiel. Drie verplegers stapten uit met bezwete gelaten en vroegen me naar het suiker-nieuws. Ik moest hen het antwoord schuldig blijven en met de handen in het haar sprongen ze weer de wagen in en vertrokken naar de spoed-ingang van het AJJC. Ik keek ze na en kon enkel hopen dat ze op tijd zouden aankomen, letterkundige ontdekkingen hebben steeds die neiging levensbepalend te zijn.
Wat schrijf je dan op op zo'n
naamfiche? Ik wist zelf al dat ik er niet echt over hoefde na te denken
: ik schreef gewoon : 'Mijn vader is Geert Lernout'. [ML]
JJ Exotisch
Hoogtepunten uit
de Joyce-kritiek
In dit museum van de slechte smaak houden wij u graag op de hoogte van de verlichte en minder verlichte uitspraken over het werk van James Joyce in het Nederlandse taalgebied. Suggesties zijn altijd welkom op het vertrouwde adres:
James Joyce Centrum, UIA-GER,
Universiteitsplein 1, B-2610 Wilrijk, België.
This the way to the Museyroom.
Mind your hats goan in!
* In een verslag van J.J.
Voskuil over zijn romancyclus 'Het Bureau' kwam Joyce op 19 maart 1999
in de krant 'De Standaard' op de volgende manier ter sprake:
"Bij kopieerlust denk
ik ook aan een roman als De Boeken der kleine zielen waarin Couperus op
een nogal slappe manier tracht zijn positie binnen de familie te bepalen.
Veel meer dan een feuilleton is dat niet geworden.Couperus wilde beschrijven
wat hem dwarszat, maar gleed uit door de werkelijkheid na te vertellen.
Hetzelfde overkwam Joyce met Ulysses, waarmee hij wellicht het definitieve
boek over zichzelf wilde schrijven. Het boek opent met een klaroenstoot,
maar als hij merkt dat hij zijn opzet niet kan waarmaken, begint hij een
gigantisch barok kasteel op te trekken. Om te verbergen dat hij zichzelf
niet kon vastpinnen."
* In een artikel in "Faun"
uit 1943 haalt Bert Parloor de volgende beschrijving van Joyce aan uit
"de officieele anthologie-biografie van den schrijver die het meest besproken
boek van onze eeuw ... voortbracht":
--- Iersche schrijver, geboren
in 1882 te Dublin. Bezocht de universiteit, schreef verzen, een tooneelstuk
en een bundel opvallende novellen: Dubliners. Hierna publiceerde
hij A Portrait of the artist as a Young man, dat de overgang vormt
naar den roman Ulysses, die het eerst te Parijs werd uitgegeven
en waarin het psycho-analytisch procédé tot aan de grens
van het mogelijke wordt opgevoerd. Zijn laatste roman: Finnigans wake
[sic], beteekent vrijwel de volkomen ontaarding van dit genre.---
Leesgroep
Het zal zo'n vijf jaar geleden geweest zijn. Op een ochtend las ik een klein berichtje in de krant, er zou een symposium doorgaan over James Joyce, en nog wel vlakbij huis, in de Universiteit in Wilrijk. Het telefoonnummer stond erbij, en na even twijfelen heb ik toch maar gebeld en zo stond ik een paar weken later voor de eerste keer van mijn leven in een universiteit, in een aula vol met mensen die allemaal wetenschappers waren en adepten in de kunst van het Joyce lezen, begrijpen en zelfs ontleden.
Ik kan nu wel bekennen dat ik toen alleen maar stukjes van Ulysses had gelezen, omdat dit een stukje was van een cursus Engelse Literatuur die ik toen volgde. En je kunt je wel voorstellen dat wat er daar in de UIA allemaal werd verteld, grotendeels over mij heenging zonder dat ik er ook maar iets van begreep. Ik vond Ulysses al moeilijk genoeg en dat bleek dan kinderspel te zijn bij dat andere werk waar ze het hier allemaal over hadden. Ik wist dat Joyce ook Finnegans Wake had geschreven, maar daar hield het dan ook mee op.
Lang zou mijn onkunde niet duren. Voor er een week om was zat ik al weer tussen Joyce-kenners ditmaal in een Antwerps café annex vergaderzaaltje waar met een groep van een tien à twaalf mensen (meestal studenten) een poging werd ondernomen om Finnegans Wake te lezen, dit onder de gedegen supervisie van Wim van Mierlo, die de laatste jaren zijn heil in Miami heeft gezocht. En hoe iets raar lopen kan, het is door Wims uitvliegneigingen dat ik eigenlijk echt bij Joyce betrokken ben geraakt. De leesgroep werd alsmaar kleiner en kleiner, op 't laatst nog zo'n 5 mensen en toen ging Wim ook nog weg… Er zat niks anders op dan dat ik de leesgroep dan maar verder zou doen en zo is het tot nu toe nog altijd, we lezen al zo'n vijf jaar Finnegans Wake en zijn momenteel, schrikken jullie niet, al aan bladzijde 85.
Maar geen nood, we hebben een lopende verbintenis met het hotel waar we vergaderen dat we daar een onderkomen hebben tot 2060, onze streefdatum om het einde van het nieuwe begin te bereiken. Heel dit verhaal doe ik eigenlijk omdat onze leesgroep nu nog maar drie leden heeft, wat een beetje weinig is, en ik er graag een paar mensen bij zou willen hebben. Om de veertien dagen komen wij op maandagavond bij elkaar in het ANTWERP TEATER HOTEL in de Arenbergstraat hier in Antwerpen om 20 uur. De lezing duurt tot 22 uur ongeveer, en daarna trekken wij meestal nog even naar een Ierse pub om de avond in de juiste Joyceaanse stemming te beëindigen. Wij zijn geen van drieën echte Joyceanen, we lezen omdat we Joyce goed vinden en omdat we het plezierig vinden.
Als er liefhebbers zijn, jullie
zijn welkom, als je nog iets meer wil weten kun je mij altijd contacteren
op het volgende telefoonnummer: 03/827-97-68 en e-mail kan ook: egevil@village.uunet.be.
Misschien tot binnenkort,
Liesbeth van Gool
Vertaalwerk-in-wording
Robert-Jan Henkes en Erik Bindervoet werken
al sinds enkele jaren aan een vertaling van het onvertaalbaar geachte Finnegans
Wake. Over de vorderingen meldden ze het volgende: "De vorderingen zelf
vorderen goed. Voor de zomer hebben we de eerste acht hoofdstukken op de
rails, en of er dan ook nog een boekje komt, we hopen het, maar dat hangt
nog steeds van de onderhandelingen van Querido met het Sterfdeel Joyce
af." Als alles goed gaat, verschijnt de volledige vertaling medio 2004
bij Querido.
Over Iris Trees en Lili O'Rangan
Finnegans Wake aflevering 1132, over de naamgeving van namen, onze voorouders en het vrolijke geslacht op de planken.
We zijn gestopt waar we de vorige keer begonnen waren, op een kruispunt van wegen, een kentering, de branding van het vasteland van het eerste hoofdstuk in de oceaan van het eigenlijke Finnegans Wake. Hier begint het pas echt, als je tenminste over een begin kunt spreken als het nooit ophoudt en nog maar zeer de vraag is of we niet ergens in medias res in de ring van Möbius zijn gestapt.
- Alle hens aan dek! Iedereen aan boord! Alle trossen los. Tuut-tuut!
- Puf puf puf puf… daar horen wij het geluid van het gelurk aan 's Captains pijp, waar - twee rotkoppen aan één steel - wordt nagedacht over een definitief einde van de menselijke beschaving, die immers niets dan ellende heeft voortgebracht.
- Mannen! We moeten de beschaving uitroeien voordat zij de kans krijgt te ontstaan!
Een mooi streven, maar wat helpt het ons? Wij zijn druk bezig doende aan de vertaling van wat wat we gerust het enige postnucleaire boek ter wereld mogen noemen, het enige (en daarom ook eerste en laatste) boek dat na de derde Wereldoorlog nog gelezen kan worden. Door de insecten wel te verstaan, die er immers een glanzende, gepantserde heldenrol in spelen.
Finnegans Wake. Bladzijde 30. Regel 1.
Now (to forebare for ever solittle of Iris Trees and Lili O'Rangans)…
We zullen dus een heel pieperkleinbeetje geduld moeten hebben voordat we over de voorzaten te horen krijgen, we moeten even afzien van te komen te spreken over de vrouwtjes (forbear: nalaten, en forbears: voorzaten), pas dan wordt het geheim van hun barregamben ontbloot (zie blz. 75 regel 2).
Het horen van woorden, bijvoorbeeld "ja" of "nee", is altijd voor één uitleg vatbaar. je hoort "ja" of "nee", zelfs als het "ja" meer op jnaaooee lijkt en het "nee" meer op njououaa. Als je tussen van "ja" tot "nee" honderd klanken maakt die telkens maar een fractie verschillen, zal je toch op een heel precies moment nog "ja" horen en het volgende "nee". We horen discrete woorden: altijd het een of het ander, maar nooit twee dingen samen. Dat merk je ook als je iets verkeerd verstaat. Lezen gaat net zo discreet: er ligt altijd een eerste betekenis op de voorgrond, die vaak samenvalt met de eerste indruk. Maar dan, vlak daarop, in een millinanofractie van een seconde, bijna tegelijkertijd dus, of laten we zeggen precies op hetzelfde moment (maar iets later dus, of eerder), splitst dat ene woord zich in honderd richtingen, het valt in duizend scherven uiteen. Opeens blijken er nog allerlei andere beelden achter te zitten, en daar weer andere achter en voor je het weet ben je van het juiste pad afgedwaald en zit je bepakt en bezakt met woordenboeken en naslagwerken in de modder van de geleerdheid.
Wij hebben al snel beseft dat ons twee gevaren bedreigden bij het vertalen van Finnegans Wake: gekte en geleerdheid, en een derde daartussenin: de gekke geleerde.
Maar gek zijn we nog niet en geleerd zullen we wel nooit worden, dus we kunnen voorlopig vooruit.
Welnu (om een tipje na te zaten over…, ja, over wie?
Gewoonte- en plichtsgetrouw slaan wij de entomo- en wakeoloog Roland "professor" McHugh erop na. Hij meldt ons dat Iris Tree een Eng. actrice was, dat bomen groen zijn (tussen haakjes), en dat Orange Lily, O een liedje is van die naam. Maar schieten we daar wat mee op? Brengt dat een eventuele vertaling ook maar één stap dichterbij? Het lijkt eerder op het omgekeerde. Hoe meer je weet, hoe minder je geneigd bent te (kunnen) vertalen. Bovendien gaat het hier niet om zomaar woorden, maar om namen. En niet zomaar namen, maar om namen die nog iets betekenen, want waarom staan ze er anders?
Wij huldigen het principe van de principeloosheid. Als we ervan uitgaan dat elk woord even belangrijk is, en dat is het in Finnegans Wake, dan moeten we elk woord de volle laag, zijn duw geven, elk woord op zijn merites beoordelen. In elk woord is het hele boek besloten. Elk woord is even belangrijk in Finnegans Wake. Het is een waarlijk 'patafysisch' boek.
Joyce is altijd concreet. Alles en iedereen moet bij hem met name genoemd worden. Als het over een straat gaat heeft die straat altijd een naam. Er is geen brug of het is een bepaalde brug. Zo ook met mensen. Geen wonder dat er meer dan 5.000 verschillende personen met naam worden genoemd. En dat van de 220.000 en nog wat woorden van Finnegans Wake, er 51.926 uniek zijn. Dat moet wel een record zijn.
En al die 5.000 eigennamen zijn niet zomaar alleen maar persoonsnamen (voornamen, achternamen, meisjesnamen) of plaatsnamen, maar tegelijkertijd doen ze dienst als toenamen, bijnamen, troetelnamen, koosnamen, roepnamen, volksnamen, vleinamen, erenamen, scheldspotschimpnamen, schuilnamen, merknamen, soortnamen, verzamelnamen, wereldnamen, erfgenamen, aangenamen, vredesnamen, hemelsnamen en godsherekristusnamen. En die moeten allemaal in de vertaling terecht komen!
Terug naar regel 1. Wat staat er? (Altijd een goede vraag om mee te beginnen.) Het gaat om vrouwen (meervoud). Je ziet bloemen (irissen en lelietjes), kleuren. De kleuren niet alleen van de regenboog, maar ook van de Ierse vlag, groen van de bomen (zoals McHugh terecht opmerkt, mits het geen herfst is of anderszins ontbladerd - Agent Orange) en oranje (niet Agent Orange, het Vietnamese ontbladeringsmiddel, maar eerder het olijke peenhaar van de orang oetan, de wilde bosman van Borneo). En in Iris zit Iers natuurlijk door elisie van de eind-h. Dat zien wij en dat horen wij. Te kunnen vertalen. Hoe, om met de aap te spreken. Dat is altijd nog maar de vraag.
Onze eerste aanvechting is, als we van die vreemde hapax legomenale namen tegenkomen die in de rest van het boek geen rol meer spelen, om ze de zegen mee te geven en met een eentweedrie in godsnaam overboord te gooien om te kijken hoe lang ze blijven drijven. We zitten met de aandrift om er onmiddellijk Nederlands van te maken, zodat het even Nederlands wordt als voor de Engelse lezer Engels. Zodat er even veel echo's klinken en jingles rinkelen en hemonyklokken beieren als de oorspronkelijke namen doen doen voor de onvoorbereide Engelstalige lezer.
We begonnen van Iris Trees en Lili O'Rangan "Oranje Prinsterstjes en Spaans Geroên" te maken, allereerst om de kleuren die we hadden als aanknopingspunten. Verder lees je Oranje Prinsjes/Prinsesjes (voor het sosie schwester-motiefje), Spaanse roeiriemen, Spanje als aartsvijand, het Engeland van Nederland van Ierland, dus als we onze eigen McHugh willen schrijven hebben we genoeg annotaties. Maar willen wij dat? Nee, dat willen wij niet. Dan zou je er nog meer boeken bij moeten lezen. En wij gaan ervan uit dat McHugh en de oorspronkelijke Finnegans Wake genoeg moeten zijn om het te kunnen volgen. Je mag in elk geval van een vertaling verwachten dat het er niet onduidelijker op wordt.
Erger was dat de actrices uit de boot waren gevallen. En wie komt daarvoor in de plaats? Groen van Prinsterer, de bekende gereformeerde demagoog-staatsman (1801-1876). Maar wat doet die hier? Wat loopt hij hier zo'n beetje als een Spaanse citroen met zijn zure gezaag ons plezier te vergallen terwijl we ons hadden verheugd op twee leuke barmeisjes, stand-up comédiennes, Miss Douce en Miss Kennedy, twee wilde westelijke animeermeisje, of wat we ook mogen dromen bij de welluidende Iris en Lili.
Ja, wie is Iris Tree eigenlijk? Helaas hebben we de 11de Encyclopaedia Brittanica niet, waar Joyce alles uit overgeschreven heeft (als iemand hem dubbel heeft of over of ervan af wil, wij houden ons aanbevolen). Maar wel hebben we de Everyman Encyclopedia uit 1913, en daar staat onder Tree: "A perennial plant with a woody stem and branches differing only in size from a shrub." Interessant! Machtig interessant! Maar wacht tot je het volgende lemma leest, dan sla je helemaal steil achterover. Want daar staat een heuse mijnheer Tree, Sir Herbert Beerbohm Tree, geboren in 1853, een Londense impressario (actor manager), en ook zelf acteur en producent van Shakespeare-vertolkingen. "His Thoughts and Afterthoughts were published in 1913." Zou Iris zijn ondergeschoven of misschien wel echte dochter zijn? Of wellicht was het zijn protégée aan wie hij zijn naam schonk en een dozijn stola's? Het sterkt ons in ons voornemen de actrice niet te verliezen in een eventuele vertaling. Het wemelt in Finnegans Wake trouwens van de actrices en acteurs. En van de drank. En van de vissen. (Want vis moet zwemmen.) En van de liedjes. En van de opsommingen, En van de insecten natuurlijk.
Op dit dode punt aanbeland - een verworpen eerste poging - pakken wij altijd onze collega's erbij. Wat hebben zij ervan gebakken in het taaleigen dat het hunne is?
Philippe Lavergne en Luigi Schenoni, notabene de vertegenwoordigers van het Romaanse taalgebied (Fr. & It.), laten beide namen unverfroren onvertaald staan zoals ze stonden. Alsof het echte personages zijn met een echte rol in Finnegans Wake, en die je met enige goede wil en de Encyclopaedia Brittannica wel kunt thuisbrengen, en die dan plotseling heel veelzeggend zijn voor de loop van het verhaal. Dat is echter, zoals wij weten, niet het geval. Voor hen gaat het doek open en dicht in deze ene regel op bladzijde 30. Als we het zo zien, hebben we de indruk dat het een al te vrije vertaling is.
Friedhelm Rathjen vertaalt "von der gründliche Iris Trees en rotzigen Lili O'Rangans." Ja hallo, die verzint er twee hele woorden bij. Zo kunnen wij het ook. Al zal het zijn met de beste bedoelingen, om de kleuren wat op te fleuren en het boom/steenmotiefje nog eens voor het voetlicht te brengen. (Want je breekt je nek over de stenen en de bomen in Finnegans Wake.) Wij keuren dat niet goed, die onverantwoorde zinsuitbreiding, al staan we zelf ook regelmatig in de verleiding om een woord uit de hoge hoed te toveren als het Nederlands tekortschiet.
Dieter Stündel maakt ervan "IhrRiß Tries en Lilli O'Range". Lili krijgt er een L bij maar verliest haar meervoud, wat raadselachtig is. Even raadselachachtig als de verbastering van Iris tot "IhrRiß". Maar dat doet Stündel het hele boek door: wij kunnen dit gerust de verphallicatie cq verkuttificatie van Finnegans Wake noemen. Waar mogelijk (en waar is dat niet in Finnegans Wake) begint Stündel met zijn of haar vleeswaren te smijten. Riß betekent namelijk zoveel als scheur, reet, spleet. (Nudge nudge.) Ook dit kunnen wij niet goedkeuren. Het lijkt of Stündel Finnegans Wake woord voor woord heeft vertaald zonder oog voor het geheel en na afloop het origineel uit het raam heeft geworpen. Hij moest met elk woord iets 'doen'. 'Als het er maar raar uitziet. Dan gaat het vanzelf op Finnegans Wake lijken', lijkt hij gedacht te hebben.
Helmut Stoltefuß heeft "Iris Bäumlein en Lili O'rangan". Dat begint al op een echte vertaling te lijken, helaas niet alleen van het Engels naar het Duits maar ook van meervoud naar enkelvoud. Een leuke (dwz bruikbare) vondst is wel de verkleining van de kapitale R, waardoor de mensaap wat beter in het oog springt.
Anri Volokhonskogo russificeert "Drevesnym Irisom i Lilej O'Rangan", Houten Iris dus, Irisje van Dalen, Iris uit het Bos, het grote donkere enge berenbos Finnegans Woud, hoew! - Goudhaartje of Goudelsje of hoe heet die tuttebel die ongevraagd bij je binnenkomt en je pap gaat zitten oppeuzelen. Goudlokje, Goldilocks. Goldie Hawn? Nee, in je mand, roepen we tegen onze hond Anna Chronisme uit het nest van de Vrije Associatie. Keten. Woef.
Víctor Pozanco tenslotte komt met "la versátil cómica Iris Tree - naranjitas o limones" op de proppen. Hij maakt er in enen citrusvruchtbomen van, maar ook weer één boom en Lily is naar de dalen gestuurd, waarschijnlijk om de citrusvruchten in kwestie te plukken. Sinaasappels en citroenen? In Ierland? Je kunt weliswaar geen sinaasappelen met citroenen vergelijken, maar misschien weer wel met de aardappelen, rapen, bieten en knollen van Ierland. Wie weet. Maar wat Víctor Pozanco wel weer weet is dat Iris Tree een veelzijdig comédienne was, iets wat we uit de derde Census van Adaline Glasheen ook al hadden opgepikt. De advocaat-Ulyssesmanuscriptenverzamelaar John Quinn noemde haar "een lekkere del met roze haar" ("a fine wench with pink hair").
Zo zie je maar dat elk taalgebied zingt zoals het gebekt is, en dat we hier zoals gebruikelijk niet veel wijzer van worden. We moeten het weer helemaal zelf opknappen.
We moeten in elk geval op zoek naar actrices, wier namen wij vervolgens op het Procrustesbed van Joyce kunnen leggen. Ze moeten wel al een beetje groenig en bomerig of oranjig en mensaperig klinken. Ga er maar aan staan. Kennen wij actrices die aan die kwalificaties, dan wel niet qua uiterlijk, maar in elk geval in naam, voldoen? Mary Dresselhuis? Linda de Mol? Caroline de Bruyn? Willeke van Ammelrooy? Die liggen nog te vers in het geheugen zodat ze ook onder hun pseudoniem Anna Chronisme niet mogen optreden.
Wij nemen ons mee terug in de tijd, toen de mensen nog slobkousen droegen en op die slobkousen naar de schouwburg gingen, toen mensen nog aan het toneel gingen, toen er nog liedjes uit voorstellingen gezongen werden op straat en op ieders lippen bestorven lagen.
Wij vonden het boekje Fie Carelsen van Ben van Eysselstein. Fie was in haar tijd de vrouw van Jean-Louis Pisuisse, en Jean-Louis Pisuisse is praktisch de enige naam uit die tijd die bij ons nog is bijgebleven. Het boek stond, net als Finnegans Wake, vol met namen, helaas niet zoveel van vrouwen. Namen die we tegenkwamen waren o.a.: Marie Westerhoven, Jenny Gilliams en Lily Bouwmeester. Aha, de Bouwmeesters! Dat zijn bekende namen. Het was een hele maffia, een clan, een heus geslacht. De Bouwmeesterfamilie, als we de VARA-gezinsencyclopedie erop na moeten slaan, en dat moeten we (want wij zijn arbeiderskinderen, en dan was je verplicht deze encyclopedie in huis te hebben, het kostte je je hele maandloon inclusief kleedgeld maar het was de wet, in de jaren zeventig, toen wij zuchtten onder de sociaaldemocratische arbeidersdictatuur van Joop den Uyl) kende verder nog een Wiesje, een Theo en een Tilly (!), en onze Lily speelde een van haar glansrijkste succesrollen in Pygmalion van Shaw. Het net sluit zich. Deze vis zal ons niet meer ontsnappen, eenmaal gekaakt.
Wat te denken van: Lily Bomeester en Iris Peenhaar van Twist. Het peenhaar is van de oerang oetan, en het Peenhaar van Twist komt van Duymaer van Twist, een bekende Nederlandse naam, maar of het een actrice is weten we niet meer. In Huyze Duymaer zullen ze best wel eens gezellige avondjes tussen de schuyfdeuren hebben gehouden. Enig speurwerk maakte ons duidelijk dat Duymaer van Twist de gouv.gen. was toen Multatuli in Insulinde de dallesdekker uithing voor den Javaan. Duymaer van Twist -> Indië -> Borneo + Sumatra = oerang oetan!
Als we er nou Lucy Peenhaar van Twist van maken? Lucy knoopt ons weer aan de cruciale voorouder uit Kooby Fooray. En het klinkt alsof het niet vertaald is, wat je met namen eigenlijk ook niet hoort te doen.
Maar zowel het peenhaar als de Duymaer als de Lucy krijgen pas met de oranje mensaap te maken langs een omweg, door wat je weet, al of niet uit de VARA-gezinsencyclopedie, en niet door wat je hoort, wat er in het woord al besloten ligt, in O'Rangans. En daarmee wordt de vertaling een puzzel, een cryptogram, en als we ergens de pestpokkehekel aan hebben dan is het wel aan puzzelen. (Puzzelen is alleen leuk als er geen oplossing is. Vgl. het vertalen van Finnegans Wake. Het is niet zo dat als je weet wie Iris Tree was je opgelucht verder kan lezen, in de zin van: aha! Weer een stukje in de puzzel gelegd.) Dat veel mensen Finnegans Wake dan ook als een aangenaam tijdverdrijf en een soort superdoorloper, een reuzerebus zonder plaatjes, zien, kunnen wij [krachtterm verwijzend naar de schepper, elf letters] dan ook wederom niet goedkeuren.
Dus Iris en Lucy redden het niet. We gaan nog even verder op het spoor dat de Bouwmeesters getrokken hebben in het Hollandse toneellandschap. Lili Bomeester heeft "Lili" en "Bouwmeester" en "boom" - dat zou een voorbeeld kunnen zijn van iets Nederlands waar nog een schim van het origineel te ontwaren is. De Hollandse McHugh kan bij ons ook, tussen haakjes, aantekenen: (bomen zijn groen).
We legden deze voorlopige (we kunnen het niet genoeg benadrukken) vertaling voor aan een kritisch Vlaams kwaliteitsbewakingspanel, bestaande uit Liesbeth van Gool en Jan Asaert, die ons wel vaker op het rechte pad proberen te houden. Kom er maar in, Liesbeth.
"Lilli is familie van HKI en daarom is natuurlijk de Chimpden hier vervangen door Orangs, als ik het goed begrijp is bij jullie HKI = Humfried Kimpenie Ierwicker, Humfrey Krimpen Ierwicker en andere variaties, DUS moet de chimpansee in Lilli's naam ook met een aap en dan liefst een oerang-oetang achtige aap verzoend worden. Chimpansee = de Congolese Kimpenzie, Orang-Otang = Bontius een Hollands-Indische wetenschapper was de eerste die dat beest een naam gaf, ik vind de Spaanse versie wel leuk Orangutan, genoeg Oranje om Hollands te blijven want dat willen jullie toch en de 'Gut' kan 'goed' worden en de 'an' 'ans', dan krijg je zoiets als "OrangoedAns". De Lucy kan ik begrijpen- de peat girl Lucy en Lucia, en veel Ierse meisjes zijn roodharig maar toch er staat Lilli en ik denk dat ook klein de bedoeling is, zo iets van klein aapje van de grote aap. Je doet er maar wat mee. "Lilli's bomeester' plotsklaps heb ik hem jullie bedoelen bosmeester of boswachter om het groen, jongens daar heb ik met mijn orangoedans verstand toch wel twee dagen over gedaan. Waarom wisselen jullie de voornamen? Of ben ik gewoon helemaal niet mee? De Orangisten na de Twist?"
En Jan Asaert merkt op: "Behoort Lili tot het NL toneelspelersgeslacht van de Bouwmeesters? Peenhaar van Twist doet me alleen maar denken aan Duymaer van Twist, waar Multatuli zo'n twist mee had."
"OerangoedAns" is weliswaar geen goede naam voor een goedgebeend danseresje uit de saloon, maar Liesbeth legt wel de vinger op de zere plek: het ontbreken van de aap in "Lucy Peenhaar van Twist" en Jan legt de vinger op de zere pleister door te vragen wat die Gouverneur-Generaal hier uitspookt.
Als we de naam Lily handhaven, moet er ook een Nederlands liedje mee corresponderen, net als Orange Lily, O. Is er geen liedje over een oranje lelie? Het enige Lelietje dat ons te binnen schiet is Lelietje van Dalen, eventueel wat aapachtiger te maken door er "Lilleke" van te maken, in de zin van: "Jij lilleke aap!"
Of zouden we van Lilli Bomeester Lilli Bosmeester moeten maken? Dan verdwijnt de klank van "Bouwmeester" langzaam achter een s-vormige horizon, en bovendien zie je door het bos de boom niet meer. Maar evengoed zitten we nog steeds met onze handen in het peenhaar. Was er niet ook nog een andere Bouwmeester op en in tussen de planken? Ja, die was er. De grande dame, de alom verguisde en weer geprezen mevrouw Mann-Bouwmeester, oftwel, Theodora Mann-Bouwmeester, "Theo" voor vrienden. En daar begint aan dezelfde horizon een oranje gloed te verschijnen in de gedaante van de mytische mevrouw Theodoranjemann-Bomeester. Oranjemannen hebben iets met de Ierse geschiedenis te maken. Denk aan The Battle of the Boyne. Onze Willem de Derde de Eerste, die Ierland veilig maakte voor vrijheid en liberale democratie. Oranjeman is ook de bosaap.
Lili Bomeesters en Theodoranje Mannen, how's that for Dutch? Klinkt ook als Deodorantje en dat zal ze wel nodig gehad hebben. Geen enkel zintuig hoeft zich tekort gedaan te voelen in de Wake.
Evengoed moet de aap nog uit de mouw. Het is nog geen Orang Oetan die ons tegemoetslingert en waarin wij kunnen logeren. Die aap kreeg natuurlijk wel pas kleur in samenhang met de Chimpden van Humphrey, welke apekool ook nog niet geweldig uit de verf komt: Kimpansz? Kimpenzee? Schimppenseel? Schimpanzee? Kschimpemzeer? Rare namen, maar ja, we hebben ons laten vertellen dat Chimpden ook geen naam is waarvan iedereen wel een exemplaar in de straat heeft wonen.
Andere mensapen die in aanmerking komen zijn gorilla's (zilverruggen heten de dominante mannetjes) en bonobo's, dat zijn van die heel menselijke, sociale dwergchimpanzees die de hele dag liggen, staan en zitten te neuken voor de lieve vrede.
En als we meneer oetan ergens anders verstoppen? "Goetan (om een tipje na te zaten over Iris Trees en Lilleke van Dalens), betreffende de genese van Harold of Humfried Kimpansz.' beroeptoenaam"… Maar dan schrik je je als onvoorbereide lezer het apelazerus en denk je dat je niet meer met een vertaling te doen hebt maar met een bewerking die je dientengevolge gevoegelijk kan wegsmijten.
Als we nu terug naar de oertekst: "Now (to forebare for ever solittle of Iris Trees and Lili O'Rangans)…" komen we uiteindelijk uit op het volgende: "Welnu (om een tipje na te zaten over Iris Trees en Lili O'Rangans,…"
Dat lijkt nog het meeste op het origineel, en het is een hele leuke vertaling: er zitten de kleuren in van de regenboog en daarmee van de Ierse vlag, de oerang oetan zit erin, Lily Langtry en Iris Tree, de inmiddels (voor ons) zeer bekende en niet meer uit de Engelse toneelgeschiedenis weg te denken actrice, enz. Nee, het klinkt helemaal niet slecht, temeer daar het Engels zich al in al onze vezels en hersencellen heeft verspreid, terminaal gewoon, daar kun je niet meer tegen opboksen, daar helpt geen medicijnencocktail meer tegen, geen chemotherapie of langdurige blootstelling aan andere media. En ontwaren we daar zelfs niet de vrolijke tonen van het liedje Orange Lily, O? We hoeven met deze vertaling niets te missen. Hier schort niks aan.
We've come a long way en we zijn niets opgeschoten. Volgende keer nog beter, als we verslag doen van de overige 4998 namen.
[EB & R-J H]
Werkten mee aan
dit nummer
Eric Bindervoet
Robbert-Jan Henkes
Inge Landuyt
Geert Lernout
Mik Lernout
Koen Peeters
Liesbeth Van Gool
Kamiel Vanhole
Dirk Van Hulle